BOUWGESCHIEDENIS VAN DE ST. MARTINUSKERK TE VENLO

 

Fase 1

Onder het huidige kerkgebouw werd bij opgravingen in de door oorglogsgeweld verwoeste kerk in 1946/47 door Dr. P. Glazema een waarschijnlijk 10de of vroeg 11de eeuws zaalkerkje blootgelegd van nauwelijks 4,5 bij 9 m binnenwerks. De dikte van de muren, die gemetseld waren van rivier- en veldkeien, was 70 cm. Aan de oostzijde had dit zaalkerkje een versmald rechthoekig koortje van 2,80 bij 1,80 m.

 

Fase 2

In deze fase wordt het zaalkerkje overbouwd met een eenbeukige kerk van 6,5 bij 20,5 m. voor het schip en 5,80 bij 9 m. voor het halfrond gesloten koor en absis. De muurdikte was 1,50 m. Op de scheiding van koor en schip springen de muren ca. 1 m. naar binnen door penanten. Of hierop een z.g. triomfboog heeft gestaan is onzeker. De fundamenten van deze bouwfase zijn niet uitsluitend van veldkeien, maar ook van mergel. Dit doet vermoeden dat het opgaande werk ook van mergel was. Waarschijnlijk had deze kerk, in de Karolingische traditie, een houten dak.

 

Fase 3

Waarschijnlijk in de eerste helft van de 13de eeuw wordt het schip van de kerk verbreed met 2 zijbeuken van ca. 2 m breed. Ze sluiten aan de oostzijde van de kerk aan op het begin van de ronding van koor en absis. De afmetingen van de kerk worden door deze uitbreiding 14,5 bij 33,5 m. binnenwerks. De muurdikte is 1 m. Door deze Romaanse uitbreiding wordt de kerk een vrij eenvoudige, met hout overdekte, kerk van het basilikale type. Of deze kerk een toren had is omstreden. Glazema denkt in 1946/47 van niet, terwijl Mialaret in 1937 de onderste bouwlaag van de toen bestaande toren dateerde in de 13de eeuw. Onduidelijk blijft ook, of de kerk in deze bouwfase een transept heeft gehad. Mogelijk is dat de gevonden restanten van een transeptarm aan de oostkant van de zuidzijde van de kerk als sacristie dienst hebben gedaan. Een volledig transept moet evenwel niet uitgesloten worden geacht. Vanaf het midden van de 13de eeuw, precies in 1259, als de abdij van Averbode het patronaatsrecht verkrijgt, worden we over verdere bouwactiviteiten geïnformeerd door schriftelijke bronnen.

 

Fase 4

Hoewel de bronnen niets concreets vermelden lijkt het er toch op, dat men in de 2de helft van de 14de eeuw, vanaf 1368, met nieuwbouwplannen rondgelopen heeft. In 1408 vermelden de stadsrekeningen dat er bouwactiviteiten zijn geweest. Mialaret constateerde in 1937 Vlaams metselverband en zwaardere bakstenen o.a. in de 3/8 afsluiting van het middenkoor. Ook constateerde hij, dat de pijlers tussen de drie koren ontstaan zijn door het uitbreken van het vroegste middenkoor. Daarbij werden ook de bestaande steunberen in de nieuwe bouw opgenomen. De stadsrekeningen van 1410 bevestigen dat er aan de kerk wordt gebouwd : “Herman Wegh en syn gesellen verdinght die keulen van der mure ende der pilerner te graven”. Tot en met 1420 staat dit soort aantekeningen regelmatig in de stadsrekeningen. Duidelijk wordt, dat er tussen 1408 en 1418 aan het schip wordt gebouwd en daarna begonnen wordt aan het (hoog-)koor. Mogelijk is er, zoals vaker gebruikelijk, gedeeltelijk over de Romaanse kerk heengebouwd en is de Romaanse kerk in gebruik gebleven tot de nieuwe, gotische, gereed was. In 1429 zijn er vermeldingen met betrekking tot het overwelven van het koor en wordt besloten ook het transept te overwelven. In 1430 wordt de nieuwe kerk door de wijbisschop van Luik gewijd. De laatste activiteit in deze fase is de beglazing van hoogkoor in 1435. Het kostbare en breekbare glas werd altijd na de voltooiïng van het gebouw aangebracht.

 

Fase 5

Al zeer snel na haar voltooiïng wordt de kruiskerk uitgebreid tot een hallenkerk naar het Gelders-Westfaalse type. Dit type kerk bood veel ruimte en veel licht in de zijbeuken. Bovendien waren de bouwkosten relatief laag omdat men geen dure luchtboogconstructies nodig had. Inwendig is de St. Martinus inderdaad een hallenkerk, maar uitwendig niet helemaal, immers, de versmalde noordelijke zijbeuk wordt gedekt door tegen het zadeldak van het middenschip geplaatste schilddaken.

Al in 1438 wordt het noordelijke koor, het O.L. Vrouwenkoor, thans sacramentskoor, “aanbesteed”. In 1444 zou het voltooid zijn. De stadsrekeningen van 1454 vermelden bouwwerkzaamheden aan het : “Heiligen Geist Choere”, het zuidelijke koor. In 1457 wordt het door de wijbisschop gewijd. Is het patrocinium van dit koor een reminiscentie aan de vroegere (parochie-)kerk van de H. Geest ?

Niet helemaal duidelijk is of de bouw van de zuider zijbeuk ook in de tijd van bouwfase 5 valt. Een aflaatbrief van 15 maart 1485 heeft mogelijk betrekking op de verdere uitbreiding van de kruiskerk naar een hallenkerk. De kerk zou dan in 1485 nog niet helemaal voltooid zijn geweest. Vermoed wordt, dat de z.g. zuiderkapel - thans doopkapel - aan het einde van de 5de bouwfase tot stand is gekomen evenals de overwelfde sacristie. Mialaret vermoedde voor deze bouwelementen het begin van de 16de eeuw. Duidelijk is dat de bouw in de zuiderbeuk, de doopkapel en de sacristie rijker is. De gewelfconstructies van de doopkapel en de sacristie zijn netgewelven tegenover elders in de kerk eenvoudige kruisgewelven met gordelbogen. De schalken en kraagstenen zijn bewerkt, resp. van mergel, terwijl die elders in de kerk gewoon rechttoe rechtaan in het metselwerk zijn opgenomen.

De zuiderbeuk is waarschijnlijk in 1611 met twee traveën naar het westen verlengd. Daarbij is de zuidoostelijke pilaar van de stadstoren in de kerk opgenomen. In deze verlengde zuiderbeuk is een ingang van de kerk, die eertijds de enige ingang was. Hij was later aan de buitenzijde overhuifd.

 

Latere bouwactiviteiten

Na 1611 vinden er geen uitbreidingen of ingrijpende veranderingen aan het kerkgebouw meer plaats. Pas bij de ingrijpende restauratie van de kerk door Dr. P. Cuypers in 1869 - 1879, wordt er een portaal tegen de doopkapel gebouwd en wordt de sacristie met twee, nagenoeg vierkante ruimtes, naar het oosten uitgebreid. Na de IIe wereldoorlog moet de kerk nagenoeg helemaal worden herbouwd. Dan wordt het middenschip met een travee naar het westen verlengd. Deze travee, thans het oksaal, bevindt zich op de plaats waar de oude kerktoren zich bevond. De nieuwe toren, die gebouwd werd tussen 12 maart 1951 en half oktober 1953 staat op de plaats waar door Cuypers in 1881/82 het westportaal, een grote neogotische ingangspartij, vóór de oude kerktoren was gebouwd.