Kerk- en stadstoren

 

De stadstoren

De stadstoren was een stedelijk gebouw. Hij stond ca. 2 m naar het westen los van de kerktoren. Hij diende de stad als militaire uitkijkpost. Wachters signaleerden met vlag en hoorn o.a. naderende schepen. Als stadsgebouw was de stadsklok, ‘de poorte kloek’ erin aangebracht. Deze klok kondigde iedere dag het openen en sluiten van de poorten aan. Ondanks archeologisch en bronnenonderzoek is niet precies te achterhalen wanneer met de bouw van deze toren begonnen is. De stadsrekening van 1410 vermeldt, dat meester Herman Wegge de gaten voor de fundamenten uitgeschacht heeft. Uit de stadsrekening van 1427 blijkt, dat er 350.000 bakstenen en 3565 blokken mergel werden verwerkt. In 1465 werd het burgergeld aangewend om de glazen ruiten in de toren te betalen. Waarschijnlijk werd de bouw in 1474 voltooid, toen er een wachtershuisje op de toren werd geplaatst. De toren had, volgens opgravingen in 1987, een grondplan van 18 x 18 m. De fundering was toen nog 4 m diep. De hoogte was volgens de Venlose historicus Keuller 300 Rijnlandse voet, dat is ca. 90 m. In 1615 wordt er 190 voet, 54 m., exclusief wachthuisje vermeld. De vier pilaren, die het eigenlijke torenlichaam droegen, liepen ter hoogte van het kerkdak samen in een doorlopende arcade. De straat liep onder de toren door. Belangrijke elementen van zijn architectuur waren ontleend aan de toren van de kathedraal van Mechelen. Volgens de oude stadsplattegronden en stadsgezichten moet het een imposant bouwwerk zijn geweest dat zijn hele omgeving domineerde. Helaas was de ongekrenkte trots van de stad van korte duur. In 1484 en 1486 blijken er al bouwkundige problemen te zijn. Bij het beleg van Venlo in 1511 door Margaretha van Savoije werd de toren beschadigd. In 1519 werd de bouwkundige van de St. Stevens in Nijmegen door de magistraat om advies gevraagd. Bij de aardbeving van 1532 stortte de noord-westelijke pilaar, waarin zich de wenteltrap bevond, in. Een ‘meester metselaar’ uit Arnhem adviseerde de magistraat in 1549 over de bouwkundige zaken. In de jaren 1581 en 1609 werd er op een steiger tussen de kerktoren en de stadstoren gewerkt. Tussen 1577 en 1691 vielen er steeds weer stenen en brokstukken muur van de toren, die ook het dak van de kerk beschadigden. De 18de eeuwse prenten en stadsplattegronden bevestigen de slechte bouwkundige toestand en laten een zwaar gehavende toren zien. Toch bleef de toren als militaire uitkijkpost gewoon in gebruik. Zo werden er in 1707 ‘drie vaenen’ op de toren geplaatst. In 1728 blijken er weer stenen naar beneden gevallen te zijn. Dit herhaalde zich in 1742. Op 8 augustus 1747 werd het zoontje van burgemeester van Wessem dodelijk getroffen door een vallende steen. Daarop verzocht het kerkbestuur van de St. Martinus de abdij van Averbode om advies met betrekking tot herstel of afbraak. De abt van Averbode stuurde broeder Gregorius, maar er werden geen afdoende maatregelen genomen. Een rapport uit 1765 vermeldt, dat de toren 6,5 duim, ca 20 cm., naar het noord-oosten uit het lood staat. Broeder Gregorius, weer ten tonele geroepen, adviseerde het bovenste deel van de toren, 8,5 tot 11,5 m, tot aan de galmgaten, af te breken, het pleisterwerk te vernieuwen en een nieuwe kap te plaatsen. Toen ging ‘Den Haag’ zich met de zaak bemoeien. De bouwkundige kapitein-ingenieur Pieter de la Rive deelde de Venlose magistraat op 30 december 1765 mee, dat afbraak zou moeten plaatsvinden. Begonnen zou worden met 30 - 40 voet, hetgeen overeenkomt met het eerdere advies van broeder Gregorius. Vervolgens zou, aldus De la Rive, gehandeld moeten worden naar bevind van zaken. De magistraat achtte afbraak een gevaarlijk en riskant karwei. Toch werd er in 1766 met de afbraak begonnen. Op 6 juni van dat jaar deelde de magistraat mee, dat de klok verwijderd zou worden. Men had zich voortaan te richten naar de klok in de grote toren van het stadhuis. In 1774 was de afbraak voltooid. Het puin werd o.a. gebruikt om het eiland De Weerd in de Maas te verbinden met de vaste oever. Toen de toren geslecht was, klaagden de militaire autoriteiten, dat de stad en de vesting onvoldoende mogelijkheid tot uitzicht over de omgeving hadden. Dit was voor hen een belangrijke reden om aan te dringen op verhoging van de oude kerktoren met 27 m. en de poortklok in de verhoogde kerktoren te plaatsen. Doordat in 1611 de zuidoostelijke pilaar van de stadstoren door het aanbouwen van twee traveën aan het zuiderschip in het kerkgebouw opgenomen was, bleef een deel van deze pilaar tot op heden behouden. Bij de restauratie van de kerk door Cuypers in 1879-1881 werd het restant van deze pilaar geconsolideerd en gedekt met een lessenaarsdak van stenen platen. Eronder werd een steen aangebracht met daarop een engel die een banderol in de handen heeft met daarop de herinnering aan de oude stadstoren en het jaartal 1881. Op de plaats van de gesloopte stadstoren bouwde Cuypers in 1881/82 een monumentaal ingangsportaal. Dit werd beschadigd bij de brand van de toren en de kerk op 5 november 1944 en geheel verwoest toen de toren op 23 oktober 1945 instortte. Tussen begin maart 1951 en begin november 1953 verrees hier de huidige St. Martinustoren, het geesteskind van Ir. Jules Kayser, dat moest herinneren aan de oude Venlose stadstoren.

 

De kerktoren

 

In de 3de bouwfase, toen de Romaanse kerk gebouwd werd, is er waarschijnlijk een toren als integraal bestanddeel van het hele gebouw opgetrokken. Mialaret dateerde in 1937 de onderste bouwlaag van deze kerktoren in de 2de helft van 13de eeuw. Glazema was in 1948 niet helemaal zeker van de gelijktijdige bouw van kerk en toren.
De kerktoren werd in elk geval eerder gebouwd dan de grote stadstoren, waarachter de kerktoren nagenoeg helemaal schuilging. Dit zou zo blijven tot de algehele afbraak van de grote stadstoren in 1774.
De bouwtoestand van de oude toren bleek, volgens een rapport van 30 december 1776 van de verantwoordelijke vestingbouwingenieur, J.H. Kock, zó slecht, dat de klokken niet zonder gevaar geluid zouden kunnen worden. Restauratie van deze toren zou bovendien niet voldoende zijn, omdat de toren slechts 22,5 m hoog was en dus nauwelijks boven het kerkdak uitstak. Hij was te laag om als militaire uitkijkpost gebruikt te kunnen worden. Op advies van de militaire adviseur werd besloten de bestaande toren te consolideren en deze verder op te metselen tot een hoogte van ca. 49 m, inclusief de nieuwe koepel, waarin de oude poortklok, afkomstig uit de afgebroken stadstoren, werd herplaatst. Deze werkzaamheden werden in 1776 voltooid.

De poortwachter kon vanuit de verhoogde kerktoren voortaan weer 20 - 25 km in het rond uitkijken. Over de financiering van deze restauratie, resp. verbouwing, rees een conflict met het bisdom Roermond, omdat de magistraat, volgens de bisschop, kosten ten onrechte bij de parochie van St. Martinus in rekening had gebracht.
Deze toren, met zijn typische ui-vormige koepel, werd in 1879, in het kader van de restauratiewerkzaamheden aan de kerk door Dr. P. Cuypers, veranderd in een imposante neo- gotische toren.
Op de aanwezige bakstenen romp, die aan de hoeken voorzien werd van steunberen in de gotische trant, werd vanaf de 18de eeuwse kroonlijst een klokkenverdieping van 7 m hoog geplaatst. Deze verdieping had aan iedere zijde een galmgat met een gotische boog, dat zich nét boven de 18de eeuwse twee galmgaten bevond. De klokkenverdieping werd afgesloten door een uitkragende kroonlijst die de overgang vormde naar de spits. Deze bestond uit een hoge opbouw, die aan de basis was voorzien van rijk versierde dakkapellen, waarin de cijferplaten van het uurwerk waren opgenomen. Onder de cijferplaten waren er deuren die toegang gaven tot de galerij rond de spits. Deze galerij werd afgesloten door een arcade van driepas boogopeningen.
De spits werd geflankeerd door vier diagionaal geplaatste hoektorentjes, die vrijwel dezelfde vorm hadden als de grote spits. De spits werd bekroond door een 300 kg zwaar ijzeren kruis met daarop de oude haan. Deze neogotische toren was 59 m hoog. Hij kwam gereed op 1 november 1879 en zou Fl. 12.370,-- gekost hebben.
Vóór de toren, op de plaats van de grote stadstoren, bouwde Cuypers in 1881/82 een monumentaal neogotisch ingangsportaal, bekroond met een spitse dakruiter.
Bij de brand van 5 november 1944, tengevolge van bombardementen op de Maasbruggen, vatte de torenspits vlam. De vonkenregen, aangewakkerd door een sterke wind, zette het kerkdak in brand, dat volledig uitbrandde. Tijdens de herstelwerkzaamheden van 1945-1948 stortte de toren tijdens een herfststorm op 27 oktober 1945 helemaal in. Op 12 maart 1951, toen de kerk al enige jaren hersteld was, legde deken M.P.J. Strijkers de eerste steen voor de nieuwe kerktoren. Deze was ontworpen door Ir. J. Kayser en moest in zijn robuuste architectuur herinneren aan de verdwenen grote stadstoren. Op 23 oktober 1953 plaatste deken Strijkers ‘eigenhandig’ de vlag op de spits. Hiermee haalde hij zelfs de landelijke pers.
Sinds 1959 strooit het in de toren geplaatste stadscarillon elk kwartier zijn klanken over ‘het stedje van plezeer’. Nadat in 1952 vier luidklokken met de slagtonen C-Es-F-G waarvande C-klok met 2381 kg de zwaarste is, in de toren werden geplaatst werd in 1959 een carillon aangebracht dat in 1999 werd uitgebreid tot 53 klokken, bijna vier en half octaaf. Het Venlose carillon, vervaardigd door de firma Petit & Fritsen uit Aarle-Rixtel behoort daarmee tot een van de grootste beiaards in Europa.
De twee middeleeuwse klokken die door de Duitsers niet uit de toren werden gehaald stortten tijdens de brand van de toren naar beneden en werden zwaar beschadigd. De Martinus werd hersteld, maar de klank was niet meer optimaal. Deze klok, uit 1371, met het randschrift: “ Martinus + Laudo Deo Dignum Fleo Fumus Perdo Malignum Bello Do Digmunque Facis Juvo Venle Benignum: Ao Dni MCCCLXXI” staat thans in het Limburgs Museum te Venlo.