
Het Hoofdaltaar



Het hoofdaltaar in de St.-Martinuskerk is een neogotisch retabel, een vierluik. Ter vervanging van het volgens de toenmalige berichten desolate oude hoofdaltaar, dat een nagenoeg levensgrote voorstelling van het Laatste Avondmaal van de hand van Gregorius Schissler, + 1636, was, liet deken Charles Marres, 1838 - 1906, het bestaande retabel plaatsen. Via kapelaan Jozef Windhausen, geboren te Waldniel 1865 en overleden te Goch 1936, kapelaan aan de St.-Martinuskerk van 1892 tot 1902, kwam deken Marres in contact met het atelier van Ferdinand Langenberg, 1849 - 1931, te Goch. Dit atelier genoot grote bekendheid vanwege zijn neogotische retabels. De kunstzinnige Jozef Windhausen ontwierp het Venlose retabel naar het voorbeeld van het Vlaamse retabel van Jan Bormans, 1560? - 1515?, te Güstrow (BRD) en de schilderingen van Barend van Orley, 1488 - 1541. Het motto voor het retabel was: "Alle heil voor de mensen komt uit Jezus, de Verlosser, de Godmens".
In maart 1898 werd het retabel in opdracht gegeven, in 1901 werd het geplaatst en op 1 juni van dat jaar plechtig ingewijd. De kast van het retabel staat op een op de altaartafel geplaatste predella als voetstuk. Daarin zijn de vier evangelisten afgebeeld, van links naar rechts Matteus, Marcus, Lucas en Johannes. In het midden, in een schijntabernakel, troont Jezus als Christus Pantocrator. Het retabel heeft drie expositie-mogelijkheden.
1. De kleinste stand voor rouw, de vasten en de adventstijd. In vier goudkleurige gotische nissen staan, tegen een helder blauwe achtergrond, in grisaille van links naar rechts, levensgroot, Petrus, Martinus, Carolus Borromeus en Paulus. In deze stand konden voor de veelkleurige afbeeldingen van de evangelisten in de predella twee panelen met daarop in grisailles afbeeldingen van de vier grote profeten, Daniël, Jesaja, Ezechiël en Jeremia, geschoven worden. Zo bleef de coherentie van het ensemble behouden.
2. De middelste stand, de stand voor de normale (feest-)dagen van het kerkelijk jaar, zijn vier schilderijen naar het voorbeeld van Barend van Orley door Albin Windhausen, een broer van kapelaan Jozef Windhausen. Uitgebeeld zijn van links naar rechts de annunciatie, de geboorte van Jezus, de aanbidding door de Drie Koningen en de kroning van Maria in de hemel. Deze iconografie vat de betekenis van Maria samen, van dienstmaagd des Heren tot koningin des hemels. Een inscriptie vermeldt: "Barend van Orley, secutus. P. Windhausen pinxit.
3. De stand voor de hoogfeesten. Het retabel bestaat nu uit 14 gebeeldhouwde eikenhouten retabelstukken, die onder een rijke, dubbele, gotische tracering tegen een vergulde achtergrond zijn geplaatst. Het geheel is gepolychromeerd en ten dele bladverguld. De vergulding, in mixtion (= mat) en polyment (= glanzend) is op vele plaatsen gepuncteerd ter verhoging van de optische effecten. Opvallend zijn de gaafheid en de perfectie in snijwerk en afwerking. Zelfs aan de achterzijde is de retabelkast rijk versierd ! De iconoghrafie geeft de kern van de verlossing weer. Jezus aanvaardt in de Hof van Olijven zijn lijdenskelk als ultieme consequentie van zijn zending. Zoals Hij zijn kelk aanvaardt, zo moeten zijn volgelingen de zending die Hij doorgeeft aanvaarden en uitdragen. Dit is uitgebeeld in het tafereel van Pinksteren, onder, geheel rechts. Op de mantel van Johannes staat dit vermeld: "Sicut misset me Pater et ego mitto vos", Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie (Joh. 20, 21).Het verhaal van Jezus\' lijden en dood en zijn wederopstanding ligt tussen de diagonaal van links boven naar rechts onder. Centraal daarin staan - ook afwijkend in formaat - de kruisdood en het Laatste Avondmaal als het symbolische offer. De voorsteling van het Laatste Avondmaal kan 180 graden gedraaid worden. Er komt dan een expositietroon met rijk versierd baldakijn met aan weerszijden een biddende cherubijn te voorschijn. Een interessant detail is de aanwezigheid van Martinus, rechts onder het kruis. Met opgeheven rechterhand wijst hij naar de Gekruisigde en op de zoom van zijn mantel staat:"Ecce quomodo moritur justus", Ziet de rechtvaardige sterft (Jesaja 57, 1). Op het snijwerk zijn interessante details aangebracht, die feiten omtrent het ontstaan en de vervaardiging van dit imposante retabel verraden. Op de stoel van Pilatus, tweede voorstelling in de linkervleugel boven, staat: \"Ferd. Langenberg, sculpsit - H. Lamers pinxit - Car. Marres, decano juvante - Jos Winhausen vic. invenit Jan Bormans secutus\". Ook op atrributen van afgebeelde personen staan namen van houtsnijders, schilders en vergulders vermeld, zoals op de riem van Malchus, Cappenberg Bruxelles, Jacobs en Gezellen, Sloots, Hendrikx, Vissers en zo zijn er nog enige. Behalve de eerder vermelde citaten op de zoom van de mantel van Johannes en Martinus zijn vrijwel alle mantelzomen van bijbelcitaten voorzien.
Grote delen van het retabel, zoals de kast en de zijvleugels, werden te Venlo in het daartoe aangekochte pand van Antoon Janssen in de Parkstraat gemaakt. Het beeldhouwwerk werd in het arelier van Langenberg in Goch gemaakt.
Bij de restauratie en het schoonmaken van het altaar in de eerste negen maanden van 2008, bleek dat er meerdere beeldhouwers gelijktijdig aan deze opdracht hebben gewerkt. Ferdinand Langenberg maakte elk beeld in plasticine, de uitwerking in hout werd door de beeldhouwers van zijn atelier uitgevoerd. In 2008 werden de grisailles van kleinste stand niet schoongemaakt en gerestaureerd. Ook werden de technische voorzieningen om het retabel weer in zijn verschillende standen te plaatsen niet gerepareerd. Het is nu, oktober 2009, de bedoeling dat deze zaken alsnog worden uitgevoerd. Voor uitvoerige documentatie met alle delen in full-color-foto's, zie: A. Lamberts en S. Lamberts, Weer in volle Glorie, ISBN 978-90-77579-29-9 \
Het Sacramentsaltaar

Het Sacramentsaltaar - in het koor van de linkerzijbeuk - dateert van 1922. Het is te Venlo vervaardigd door de kunstenaar en goudsmid Robert Dawen. De mensa bestaat uit 3 delen van voormalige grafzerken uit de kerk. Het ciborium op 4 zuilen boven het altaar werd op 5 november 1944 verwoest en kon niet meer worden herplaatst. Op de mensa staat het tabernakel, dat ingewijd werd op 1 november 1914. Het draagt het randschrift: "Ecce vobiscum sum usque ad consumationem saeculi I.XI.MCMXIV, Mt. 28,20 " - "Zie ik ben met U tot de voleinding der tijden".
Het altaar is dus in fasen ontstaan. Links en rechts van het tabernakel staat een schijn een schijnpredella. In hout is in ajour-techniek een cherubijn met symbolen van de eucharistie, druiven en aren uitgebeeld. Het ajourgedeelte is verguld. Aan de achterzijde van dit altaar bevindt zich links een messingplaat met daarop de namen van de milde gevers die in 1922 de oprichting van dit altaar mogelijk maakten.
De Doopvont

De ontwerper van deze doopvont is Gregorius Schissler, die in 1618 de opdracht daartoe ontving. De Venlose doopvont vertoont enige overeenkomst met die van de St. Jan te ’s Hertogenbosch. Dit komt waarschijnlijk omdat de ontwerper Schissler, als beeldhouwer meewerkte aan het orgelfront van de St. Jan te ’s Hertogenbosch.
De maker van dit stuk, gegoten van roodbrons, is de geelgieter Herman Potgieter, die er van 1619 tot juni 1621 aan werkte. In juni van dat jaar werd de vont, die 2000 Kleefs kostte, geplaatst.
Een ronde geprofileerde voet rust op drie leeuwtjes. Daarboven rijst een balustervormige stam op waarop , na een insnoering, een platte met knorren en cherubijnenkopjes versierde bol rust. De daarop rustende kuip en het deksel vormen samen een afgeplatte bol die versierd is met zwellingen en daartussen graveerwerk.
Op het deksel ligt een rond plateau met daarop 2 rijen van zes zuiltjes die aan de bovenzijde door voluten met elkaar verbonden zijn. Onder het aldus ontstane baldakijn staan twee vergulde beeldjes, voorstellend de doop van Jezus in de Jordaan. Boven dit tafereel bevindt zich een duif, symbool van de H. Geest. Boven dit alles hangt een relief met God de Vader, die met zijn linkerarm de wereldbol omvat en met zijn rechter wijsvinger duidt op een cartouche met de evangelietekst van Matteus 3, 17, “Hic est filius meus dilectus”, d.w.z. Dit is mijn Zoon in wie ik mijn welbehagen heb.
Het deksel hangt aan een driehoekige hefkraan, die versierd is met ranken en het vergulde wapen van Venlo. Op de verticale stang, die de middenstijl van het deksel vasthoudt, zit een als kunstenaar gekleed figuurtje waarop een cartouche met het jaartal 1621. Een zelfprortret van de ontwerper of de maker ?
Op de hefkraan staan drie ganzen als symbool voor St. Martinus, die de patroon van de ganzen is.
Hek van de doopkapel

Eikenhouten koorhek, hoog ca. 220 cm, breed 412 cm. Het is mogelijk breder geweest. Thans staat dit hek tussen twee metalen bevestigingsstijlen.
De middenpanelen zijn twee, naar voren openslaande deuren. Het ondergedeelte bestaat uit kussenpanelen in de vorm van donkere octaëders, omgeven door voluten. Hierop staan ionische pilasters met rondbogen. In de rondbogen zijn kartelingen aangebracht en als bekroning donkere knoppen. Daarboven bevindt zich de rijk geprofileerde architraaf. Hierop staan zes beeldjes. Links een leeuw met het wapenschild van Maastricht en rechts een aap (!!) met het wapen van Venlo. Daartussen, van links naar rechts de vier symbolen van de vier evangelisten, de engel van Matteus, de adelaar van Johannes, de stier van Lucas en de leeuw van Marcus. Deze volgorde komt overeen met die aan de kuip van de preekstoel.
Dit koorhek uit de 17de eeuw is in de Martinus het enige meubelstuk met renaissance stijlkenmerken .
Het glazen altaar

Bij zijn 40-jarig priesterfeest - 3 april 2005 - sprak deken A Franssen de wens uit, dat het priesterkoor een definitieve vorm zou krijgen en dat het voorzien zou worden van een bij de kerk passend altaar met lezenaar. Terwille van de transparantie, het zicht op het neogotische hoofdaltaar en de koorbanken, werd na enige proefmodellen gekozen voor een uitvoering in glas. Hierin zou worden opgenomen de reliekschrijn van Sint Martinus, die sinds de sloop van het Martinusaltaar in de jaren negentig wat verloren voor het hoofdaltaar had gestaan.
De patroonheilige zou zo weer een hem passende en waardige plaats krijgen in het centrum van de kerk. Het altaar is ontworpen door de Venlose kunstenaar Peter Verheyden en in november 2007 geplaatst.
De koorbanken

Het koorgestoelte bestaat uit twee banken, ieder met dertien zetels, die tegenover elkaar op het priesterkoor staan opgesteld. De dorsalen, de rugpanelen, zijn na WO II niet herplaatst. Het gestoelte is geheel van eikenhout vervaardigd. Familiewapens aan de binnenzijde van de linker- en rechterwang die zich het dichtst bij het hoofdaltaar bevinden, wijzen als tijd van ontstaan op het einde van de 15de eeuw. Vanwege het provinciale karakter en de opmerkelijke iconografie kunnen deze banken uniek genoemd worden. Opmerkelijk is voorts, dat zij zich nog steeds op die plaats bevinden waar zij ooit werden aangebracht. Zij zijn dus van meet af met de St. Martinus verbonden geweest.
Duidelijk herkenbaar op de wangen, het dichtst bij het neogotische hoofdaltaar, is links de voorstelling van St. Quirinus met eronder een steenhouwerswerkplaats. Rechts staat de H. Blasius met eronder de scene uit de legende van de H. Alexius waar deze ligt te slapen onder de trap van het huis van zijn vader. Het dichtst naar het schip, zijn links het offer van Isaak en rechts de dronkenschap van Noach uitgebeeld.
De misericorden in deze banken vertonen zowel religieuze als profane voorstellingen. Meestal zijn misericorden alleen van profane voorstellingen, spreekwoorden en/of scenes uit de fabels van Esopet e.d. voorzien.
De St. Martinus was geen kerk met kanunniken. Het koorgestoelte was in gebruik bij de z.g. Broederschap der Getijden, die 12 leden telde waarvan de pastoor de aanzienlijkste was.
Voor verdere informatie zie men : J.A.J.M. Verspaandonk, De koorbanken van de St. Martinuskerk Venlo, Venlo 1993.
De preekstoel

Eikenhouten kansel, waarschijnlijk vervaardigd in een Antwerps atelier. Geplaatst in 1707. Een vrouwenfiguur verzinnebeeldt onze moeder de H. Kerk.Voorzien van de kerkelijke parafernalia, stola, mijter, staf, patriarchaal kruis en tiara draagt zij de geloofsverkondiging, die symbolisch op de kuip is weergegeven met de symbolen voor de vier evangelisten, van links naar rechts de stier voor Lucas, de adelaar voor Johannes, de engel voor Matteus en achter de trap de leeuw van Marcus. In de medaillons op de kuip van links naar rechts Martinus, Jezus en in het deurtje Norbertus als stichter van de Norbertijnen, die tussen 1259 en 1829, met een korte onderbreking, de pastoors benoemden. Het geloof wordt verkondigd onder de verlichting door de H. Geest. Dit wordt verzinnebeeld door de duif die tegen het klankbord is aangebracht. Tegen de pilaar aan de rugzijde, links en rechts van de draperie, dragen twee engelen het klankbord als hemelgewelf. Vanuit de hemel ziet Maria, gevat in een medaillon, met welgevallen neer op het werk van de kerk van haar zoon. Dat werk stijgt uit de wierookvaten links en rechts op het klankbord als een heerlijk reukoffer op naar de Almachtige, die boven de aarde, de globe, troont in het ontoegankelijke licht en vandaar uit alles ziet.
De ‘gewone gelovige’ kan via de verkondiging van het geloof en de deugden geloof en liefde, de schachtbeelden resp. links en en rechts van de trap, de eeuwige zaligheid deelachtig worden. Die wordt gesymboliseerd door de rijk met acanthusbladeren en wijnranken versierde trap.
Het groot Marianum

Dit Marianum is de helft van het oorspronkelijke eikenhouten beeld. Deze Mariana waren in het begin van de 16de eeuw zeer populair. Zij hingen aan alle zijden vrij in de kerk. Het Marianum in de Martinus wordt toegeschreven aan de Meester van Elsloo, wiens specialiteit dit soort Mariabeelden was. Het is vervaardigd volgens het in het atelier van de Meester van Elsloo gebruikelijke schema. De grillige plooival en het hoekige gelaat van Maria wijzen op verwantschap met de Meester van de Beekse Calvarie, die waarschijnlijk in de periode 1540 - 1550 het atelier domineerde. De Meester van Elsloo is als atelier mogelijk identiek met drie generaties Van Oel, tussen 1490 en 1573.
Het Marianum is de voorstelling van de Vrouw in hoofdstuk 12 van de Apocalyps van Johannes, verschijnend op een maansikkel. Maria staat op de maansikkel met daarvoor een bebaard mannengezicht. Tussen de sikkel en Maria’s voeten kronkelt een slang met een vrouwenhoofd. Het hoofd is bedekt met een Oosters aandoende hoofdtooi. Is dit een toespeling op de Babylonische nachtgeest Lilith, die alle nieuwgeborenen wil verslinden ?
Draagt Maria daarom een nagenoeg naakt kind op haar rechterarm ?
Het klein Marianum

Gepolychromeerd houten beeld, 66 cm. hoog. Het beeld toont Maria in een stralenkrans. Om deze stralenkrans is de rozenkrans aangebracht met vijf grotere rozen als symbolen voor de vijf wonden van Jezus.
Maria staat op een maansikkel waaronder een slang met met een mannenkop - de duivel - kronkelt. Maria draagt op haar linkerarm het kind. In haar rechter hand draagt zij een scepter. Het kind draagt in zijn linkerhand een rijksappel. Scepter en rijksappel symboliseren de heerschappij, die Jezus en Maria bezitten.
De datering van dit beeld loopt uiteen van het midden van de 16de eeuw tot de eerste helft van de 17de eeuw.
Het beeld is voor een kerk als de St. Martinus erg klein. Waarschijnlijk is het afkomstig uit een kapel of een door de Fransen opgeheven klooster.
Het altaar van Onze Lieve Vrouw

Op een granieten podest van drie treden staat de altaarmensa, een oude grafzerk, op acht konische zuilen. Op de mensa staat de bronzen altaar-opstand, 150 cm hoog en 310 cm breed. Uit de verdikte boomstam in de vorm van een kruis, die de console voor de piëta van de z.g. Bedrukte Moeder Gods draagt, verspreiden zich links en rechts, langs een raamwerk, de takken met bladeren. In de takken bevinden zich, horizontaal, drie rijen van zes plaquettes verticaal. De plaquettes zijn concaaf met zwarte achtergrond. Erop, in verguld reliëf, aanroepingen uit de Maria- c.q. de Loretolitanie, zoals Rosa Mystica ( Mystieke Roos), Porta Caeli ( Deur des Hemels), Turris Davidica ( Toren van David) enz. De takken en de bladeren zijn van koper met een grijsgroen patina.
De piëta is een kalkstenen beeld - de Moeder van Smarten - met de van het kruis genomen Jezus op haar schoot. De datering van dit beeld staat niet vast. Er zijn bronnen die spreken over de eerste helft van de 15de eeuw, terwijl andere bronnen, met name aan de hand van de plooival en de gelaatstrekken van Maria, dit beeld plaatsen in de late 16de eeuw. Het gebaar dat Maria naar haar kind maakt, ze laat haar hand op de rechterarm van Jezus rusten, wordt als bepalend voor de latere datering beschouwd.
Het beeld is afkomstig uit de voormalige St. Nicolaaskerk van de paters Kruisheren. Toen dit klooster door de Fransen op 22 februari 1797 werd opgeheven, werd het beeld door familie van de Venlose pastoor verborgen. In 1814 werd het in de Zuiderkapel, thans doopkapel, geplaatst. In 1889 kreeg het een centrale plaats in een neogotisch altaar van Caen-steen, dat ontworpen was door Johannes Kayser en uitgevoerd door J.A. van Oort & Zn te Roermond. Bij het 40-jarig priesterfeest van deken M. Strijkers op 16 maart 1958, kreeg het een plaats in het nieuwe, door het atelier Brom te Utrecht ontworpen en vervaardigde, altaar. Het neogotisch altaar van Caen-steen verdween geruisloos uit de kerk.
Tijdens een epidemie 1783/84 genoot dit beeld grote een verering .
Het Sint Martinusaltaar

Het Sint-Martinusaltaar, stond oorspronkelijk tegen de oostwand van de huidige doopkapel. Het werd daar Pasen 1962 door deken Strijkers ingewijd. Op het altaar stond op een sokkel het beeld van Sint Martinus, dat nu tegen een pilaar links van het altaar staat Op de altaarmensa had het reliekschrijn van Sint Martinus dat thans in het nieuwe glazen altaar staat, zijn plaats. Het altaar zoals het nu sinds de renovatie van de kerk - 13 augustus - 27 oktober 2007 - staat opgesteld, is een werk van P. Reinhardt. In het relief aan de voorzijde staan enkele Venlose volksgebruiken rond Sintermerte uitgebeeld. Het basreliëf laat kinderen met lampionnen, de z.g. wierikspot - een klein rokend vuurtje in een blikje waarmee gezwaaid wordt - en het rapen van gestrooide noten zien.
Retabel van St. Anna te Drieën

Eikenhouten retabel uit het atelier van Ferdinand Langenberg te Goch. Deken van Oppen verwierf dit retabel in 1936 en liet het tussen oude briefpanelen boven een credens plaatsen. Met name in de haren van Maria, de drapering en de gelaatsuitdrukking van God de Vader is de sublieme houtsnijtechniek van het atelier Langenberg goed waar te nemen .
Reliekschrijn van St. Martinus

Eikenhouten reliekschrijn, 51 x 64 x 24 cm met zadeldak op 4 rechthoekige poten. Op het houten schrijn zijn koperen plaquettes aangebracht met in email champ-levée techniek de kruisgroep, geflankeerd door scenes uit het leven van Martinus. Afgebeeld zijn verder de aan Martinus gewijde kerken langs de Maas.De inscriptie op het schrijn luidt: “ MARTINUS PAUPER ET HUMILIS CAELUM DIVES INGREDITUR”, Martinus arm en nederig gaat rijk de hemel binnen en wordt met hemelse lofzangen geëerd.
Het schrijn is in 1962 in opdracht van de toenmalige deken, M. Strijkers, vervaardigd door L. Dusée uit Utrecht.
Communiebank voor het Sacramentsaltaar

Eikenhouten commmuniebank met rijk ajour-snijwerk. Begin 18de eeuw.
Adelaar met godslamp

Aan de rechterpilaar hangt een console met daarop een bronzen adelaar met gespreide vleugels die in de snavel de, boven een geel- en roodkoperen ballon, hangende godslamp draagt. Dit geheel is 19de eeuws.
Een bronzen adelaar met luchters, behorende bij een koorlezenaar werd in 1915, buiten medeweten van het kerkbestuur, aan een Berlijnse verzamelaar verkocht. Deze schonk hem op zijn beurt aan het Kaiser Friedrichmuseum in Berlijn, waar ‘de Venlose’ adelaar in de IIe wereldoorlog verloren ging.
De ‘Spanjaard’

Het eikenhouten gestoelte met de figuur van een knielende ridder wordt in Venlo ‘de Spanjaard’ genoemd. In het middelste paneel knielt een ridder met opgeheven gevouwen handen met het gezicht naar links. Voor hem ligt de helm en het borstkuras van zijn harnas. Deze stoel, in gebruik bij de stadscommandant en zijn adjudanten, is waarschijnlijk vervaardigd als memorie-monument voor Karel Willem van Arnste, gevallen te Wachtendonk. Hij werd door Van der Stegen, de stadscommandant en vader van Karel Willem, in 1588 geschonken .
Sint Martinus te paard

Gepolychromeerd houten beeld van St. Martinus die zijn mantel doormidden snijdt. De bedelaar die rechts, schuin naast het paard geplaatst was, bevindt zich thans in de sacristie.
Het beeld, dat Gregorius Schissler in het begin van de 17de eeuw vervaardigde, toont een vrij ingetogen beeld van een soldaat te paard.
Gregorius Schissler, afkomstig uit Tirol, legde in 1618 in Venlo de burgereed af en huwde in 1619 Maria Engelen. Door dit huwelijk kreeg hij toegang tot de gegoede Venlose burgerij. Als sculptor was hij nadrukkelijk betrokken bij de bouw van het orgel in de St. Jan te ’s Hertogenbosch. Schissler overleed in 1636 .
St. Martinus, bisschop

Het originele beeld, dat zich sinds de restauratie ervan in 1995 in het Limburgs Museum bevindt, is een beeld van zacht loofhout, waarschijnlijk uit de eerste helft van de 16de eeuw.
Martinus is afgebeeld als bisschop in vol ornaat met mijter. In zijn linkerhand heeft hij een boek. Met zijn rechterhand houdt hij een bedelaar vast. Deze bedelaar is in verhouding tot de heilige klein weergegeven. De bedelaar draagt over zijn rechterschouder een tas, terwijl zijn rechterbeen op een prothese steunt. Onder zijn rechterarm heeft hij als steun een kruk. Mogelijk is dit een toespeling op het Venlose liedje voor ‘Sintermerte’: “Vandaag Sintermerte, morge Sinterkrökke, komme de gooie herte...”.
Omdat het nieuwe hoofdaltaar in 1901 niet helemaal betaald werd, namen de Duitse medewerkers van atelier Langenberg dit beeld mee. Deken Van Oppen haalde het in 1935 terug .
St. Rochus met de engel

Gepolychromeerd houten beeldje, hoogte 60 cm uit het begin van de 18de eeuw. Waarschijnlijk uit een door de Fransen opgeheven Venloos klooster.
Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods

Houten piëta, gepolychromeerd. Hoogte 90 cm. Eind 15de of begin 16de eeuw. Ook dit beeld is mogelijk afkomstig uit een opgeheven klooster.
God de Vader

God de Vader tronende op de wereldbol. Eikenhoutenbeeld uit het begin van de 18de eeuw. Hoogte ca. 150 cm. God de Vader strekt de rechterhand zegenend uit en houdt met zijn linker een scpter, symbool van de macht, vast. In de top van de scepter bevindt zich een driehoek met het ‘alziende oog’. De herkomst van dit beeld is onbekend.
Rond staand wijwatervat

Roodbruin, beige- en witgeaderd marmeren wijwatervat, hoog 100 cm en 70 cm doorsnee. Op het vierzijdige, geprofileerde basement staat een flaconvormige balusterstam. Het bekken dat daarop rust is platrond en heeft een ingesnoerde bovenrand. Binnen in die rand staat : “D. Ludovicus Caris Questor Regius et Domicilla Anna Caecila Oort Conjuges,. Dedere Ao 1694”. De heer L. Caris, belastingambtenaar des konings en mevrouw Anna.C. Oort, echtgenoten, hebben dit geschonken, Ao. 1694.
Achthoekig staand wijwatervat

Roodbruin witgeaderd marmeren wijwatervat, hoog 100 cm en ca. 70 cm doorsnede. Op de vierkante voetplaat staat een naar beneden zich verjongende balustervormige stam, die in het midden ingesnoerd is. Daarop rust het achthoekige, licht afgeplatte bekken. Het draagt op de buitenrand het inschrift : “Geschenk van de officieren van den comptoire van syne conclycke Mat ( Majesteit) op de Mase.Ao 1638.
O.L.Vrouw Ingendael

Dit gepolychromeer houten beeldje is een recent werk van een Venlonaar die houtsnijden als hobby heeft. Het is vervaardigd naar beschrijvingen van het verloren gegane middeleeuwse origineel dat vroeger in de kapel “in gen dael” op het kerkhof stond.
Christus aan het kruis

Levensgroot gepolychromeerd houten corpus op een kruis van ruwe boomstammen. Het door Gregorius Schissler vervaardigde beeld is zeer expressief uitgevoerd. Opvallend is de beklemtoning van de menselijke anatomie, vooral die van de botten en spieren. Opvallend is voorts het gebruik van boomstammen als kruisbalken omdat dit in het begin van de 16de eeuw niet meer gebruikelijk is.
H. Elisabeth van Thüringen

Gepolychromeerd houten beeldje van de H. Elisabeth van Thüringen met kreupele. Elisabeth is hier rechtop staande afgebeeld met een kreupele aan haar voeten. Meestal wordt zij afgebeeld met haar mantel even opengeslagen over de rozen erin. Dit naar haar vita, waarin de broden, die zij voor de armen meegenomen had, in rozen waren veranderd toen haar man haar ter verantwoording riep. Het beeldje is 80 cm hoog en dateert uit het begin van de 16de eeuw.
H. Lucia

Boven de ingang van de sactistie staat een eikenhouten gepolychromeerd beeldje, 6o cm hoog, van de H. Lucia. De heilige draagt haar gewoonlijke attributen, boek en palmtak en heeft het zwaard door de hals. Opmerkelijk is de haarwrong achter tegen haar hoofd. Het beeldje is uit het begin van de 16de eeuw.
Onze Lieve Vrouw Behoudenis der Kranken

Albasten madonnabeeldje, 45 cm hoog. Het beeldje staat op een voet in de vorm van een zuiltje met boven en beneden een uitkragende rand. Het beeldje wordt gedateerd in het begin van de 16de eeuw. Het is behangen met enkele oude sieraden als ex voto’s en staat in een 19de eeuws kastje. Het is een geschenk van mej. Sax. Vermoedelijk is het afkomstig uit de voormalige H. Geestkapel.
H. Paulus

Schilderij, olieverf op doek in een rijke, met voluten versierde lijst. Het schilderij van Cornelis Buys stelt de H. Paulus voor schrijvende aan een van zijn brieven. Hij schrijft verlicht door de H. Geest, verbeeldt in de duif links, met de scherpte van een zwaard. De inscriptie vermeldt : “Accipte gladium spiritus quod est verbum Dei (Eph. 6, 17)”, d.w.z. Ontvangt het zwaard van de geest dat het woord van God is.
Dit schilderij is een memorietafel, een soort grafmonument, voor Maarten Seger van Lom met het alliantiewapen van Lom - Puteanus. Het opschrift op de lijst laat daarover geen twijfel bestaan. “DOM BVM B. Martino et Segero a Lom commendandae integritatis et probitatis viro Anna Puteana uxor, et sex simil libiri celsius vixit annos quinqunginta unum. Et vita pie migravit Anno MDCXXXL, IX Cal. Octob. “. Vertaald : Voor de H. Maagd Maria, voor de H. Martinus en voor zaliger Seger van Lom, een man van vermeldenswaardige onbaatzuchtigheid en rechtschapenheid, hebben zijn vrouw Anna Puteanus alsmede zijn zes kinderen, bedroefd van harte een verheven monument opgericht hoewel hij daar zelf niet om vraagt. Hij heeft 51 jaar geleefd. Vroom is hij uit het leven heengegaan in het jaar 1635 op 23 september.
Ecce Homo

Schilderij de Kruisdraging door Jezus. Opvallend en merkwaardig zijn de de woorden " Ecce Homo", die boven aan het doek staan. Meestal worden die gebruikt voor de gegeselde en met de doornen-kroon gekroonde Jezus die gehuld in een Romeinse soldatenmantel bespot wordt.
Pilatus zou de woorden "Ecce Homo" gesproken hebben toen hij Jezus na de geseling met de "Veertig min Een" overdroeg aan de Joden. De voorkeur van Jan van Cleef voor donkere rood-bruintinten is hier zeer goed te zien. In het Limburgs Museum hangt een, uit de St. Martinuskerk afkomstig véél uitbundiger schilderij met een rijk geschakeerd palet, nl. St. Joris die de draak overwint. Van de schilderijnen van Van Cleef die zich in Venlo bevinden is "de Aankondiging aan Maria door de Engel" dat in de Jongerenkerk hangt, wellicht het meest sprekende en in het oog lopende.
Jezus na de geseling

Schilderij van Jezus na de geseling met doornenkroon en rietstok, een z.g. Ecce Homo-schilderij. Olieverf op doek, 151 x 94 cm., gesigneerd I. DCF ( = Jan de Cleve fecit).
Jan van Cleef, geboren te Venlo 6 januari 1646 en overleden te Gent 19 december 1716 was te Brussel leerling van Caspar de Crayer, die bekend stond om zijn schilderijen van religieuze onderwerpen. In 1668 vestigde Van Cleef zich in Gent. Het palet van Van Cleef is sober en somber met een voorkeur voor rood-bruine tinten. Er worden een kleine honderd schilderijen aan hem toegeschreven. Hoewel Van Cleef geen internationaal befaamd schilder was, stond hij in Vlaanderen aan de top.
Sint Joris met de draak
Schilderij, olieverf op doek, 257 x 171 cm, van St. Joris die de draak gedood heeft en deze aan de voeten van Maria legt. Het schilderij draagt het jaartal 1693. Dit schilderij is exact evengroot met de dezelfde boog aan de bovenzijde als het volgende. Verondersteld wordt, dat het om 2 altaarstukken gaat die elkaars pendant waren en oorspronkelijk in een door de Fransen opgeheven klooster in een altaar hebben gestaan.
Dit schilderij bevindt zich thans in het Limburgs Museum te Venlo.
Catharina van Alexandrië

Schilderij, olieverf op doek, 1ste helft van de 18de eeuw, hoog ca. 160 cm. Het schilderij stelt de H. Catharina van Alexandrië voor die vanwege het feit dat zij keizer Maxentius had gezegd, dat zijn goden machteloos waren, tot de dood door radbraken werd veroordeeld. Het rad brak echter en Catharina werd toen door de beul met het zwaard onthoofd. Dit moment is afgebeeld. Uit de hemel wordt Catharina door een engel de krans der overwinning gebracht. Dit schilderij is van de hand van M. Clifford, geboren te Weert in 1698. Wanneer hij zich in Venlo vestigde is onbekend. Wel bekend is, dat hij van 1733 - 1738 lid was van het Venlose St. Lucasgilde. Clifford werkte vaak voor de baronnen van Reede tot Ginkel. Hij overleed te Venlo op 19 juni 1738 en werd in de St. Martinus begraven.
Kruisafname

Schilderij olieverf op doek. Het schilderij toont de afname van Jezus van het kruis. De schilder van dit schilderij, dat gemaakt moet zijn naar het voorbeeld van de kruisafname door P.P. Rubens in de O.L.Vrouw te Antwerpen, is onbekend. Het schilderij is afkomstig uit het vroegere hoofdaltaar van de parochiekerk van Arcen. Deken Van Oppen, 1882-1943, deken van Venlo van 1927 tot 1943, liet het in de jaren 30 van de 20ste eeuw restaureren en in de St. Martinus ophangen.
Kruiswegstaties

De veertien kruiswegstaties zijn van de hand van de in de 19de eeuw in Venlo bekende schilder Gerard Jungen. Zij geven in forse kleuren en met gevoel voor dramatiek de kruisweg van Jezus weer. Zij zijn vervaardigd ca. 1850.
Gerard Jungen, geboren te Linnich (BRD) in 1810, vestigde zich te Venlo in 1836. In 1847 werd hij tekenleraar aan de Hogere Stadsschool en in 1848 werd hij genaturaliseerd. Via zijn echtgenote, Maria Sindorff, had hij goede relaties met de betere kringen in de stad en kreeg zo ook meerdere opdrachten van het stadsbestuur. Hij overleed te Maastricht in 1856.
Gebrandschilderde glas-in-lood-ramen

In de doopkapel bevinden zich de oudste gebrandschilderde ramen. Afgebeeld zijn v.l.n.r de bruiloft van Kana, de H. Caraolus Borromeus, Paulus, Norbertus en Thomas van Aquino, Jezus in de Hof van Olijven, Jezus teruggevonden in de tempel, de vlucht naar Egypte en de opdracht van Jezus in de tempel. Zij zijn van de hand van Frans Nicolas en vervaardigd tussen 1874 - 1876.
Cornelis van Straaten uit Utrecht vervaardigde in 1924 de ramen in de lange wand van het
sacramentskoor. Deze ramen hebben allemaal een voorstelling uit het Oude Testament die vergelijkbaar is met een uit het Nieuwe Testament, zoals de koperen slang en de kruisiging.
In het raam ter herinnering aan het Eucharistisch Congres te Amsterdam in 1924, helemaal boven links in het sacramentskoor, is bovenin afgebeeld de H. Mis opgedragen door kardinaal van Rossum en beneden het offer dat Salomo opdroeg toen hij de tempel in Jeruzalem inwijdde.
In het zuidelijke schip zijn de ramen ook van het atelier Van Straaten. Zij zijn uit 1948 en beelden de Zeven Vreugden en Zeven Smarten van Maria uit.
De ramen in de koorabsissen zijn alle van na de IIe WO en van de hand van Charles Eyck. Ze werden geplaatst tussen 1951 en 1953. Ze tonen gebeurtenisen en wonderen uit het leven van St. Martinus.
Het grote raam boven de ingang aan de zuidzijde herinnert aan de bombardementen op Venlo van 1944 en de bevrijding op 1 maart 1945.
Vier modernere ramen, aangebracht in de noordelijke zijbeuk, zijn vervaardigd door Daan Wildschut. De westelijk gesitueerde ramen verhalen over de schepping. Het raam verderop, richting sacramentskoor, heeft als thema “het Woord is Vlees geworden” en het raam net vóór de hoek laat een visioen uit de Openbaring van Johannes zien.
Monstrans

Op een vierkant grondvlak met uitstekende halfcirkelvormige lobben, rust een afgeplatte halve bol die overgaat in een smalle baluster waaruit inspringend de nodus oprijst. De stam gaat via een dubbele insnoering met baluster over in een afgeplatte halve bol die rechts en links een balk draagt. Onder deze balk hangen links en rechts drie peervormige gouden aanhangers. Op de balken staan twee achter elkaar geplaatste zuiltjes op een basement. De zijkant van de zuiltjes is cartouche-vormig versierd. In de zwenking daarvan staat links St. Franciscus en rechts een heilige met een boek, maar hij mist een attribuut. Het zou de H.Petrus kunnen zijn. In het midden staat de cylinder met de lunula. Daarboven als afsluiting een herhaling van de halve afgeplatte bol van beneden en links en rechts, als bekroning van de zuiltjes, musicerende engelen. Op de bekroning van de cylinder staat een Marianum. Zes zuiltjes, in de vorm van karyatiden dragen een kroon waarop de verrezen Jezus staat. Daarboven volgt nog een kroon, gedragen door zuilvormige figuurtjes. Boven dit alles een globe met daarop een kruis. Verguld zilver, hoogte 74,5 cm., eind 17de of begin 18de eeuw. De monstrans draagt geen meesterteken.
Tekst: S Lamberts
Foto`s : L Wevers