

750 - 1546
De oudste vermelding van een parochiekerk in Venlo is uit 999. De aartsbisschop van Keulen, Evergerus, ruilde toen met de bisschop van Luik, Notgerus, de kerken van Tegelen, Lobberich en Venlo tegen die van Mönchen-Gladbach en Rheydt. De oudste registers van het dekenaat Wassenberg, waaronder Venlo toen hoorde, vermelden dat de Tegelse kerk de ‘ecclesia matrix’ was, d.w.z. een moederkerk met volledige rechten. De kerk van Venlo daarentegen wordt een ‘ecclesia media’genoemd, een bijkerk van Tegelen dus. Wanneer de Martinus te Venlo ‘matrix’ werd is onbekend. De opgravingen van Dr. P.Glazema in 1946/47 brachten onder het huidige kerkgebouw, de fundamenten van een kleine zaalkerk, 4,5 x 9 m aan het licht. Oudere sporen dan deze uit de 11de eeuw werden niet aangetroffen. Dit onderstreept de opvatting dat de oudste Venlose kerk, met als patrocinium de H. Geest, zich op of bij de Lichtenberg bevonden zou hebben. De eerste vermelding met Martinus als patroon dateert uit 1304. Het Martinuspatrocinium wijst behalve op een relatief hoge ouderdom ook op de mogelijke oorsprong van de kerk, namelijk als z.g. ‘eigenkerk’ van de adel. In de 13de en 14de eeuw sticht de seculiere elite kerken die ze onder haar voogdij heeft. Waarschijnlijk zo ook de Martinus. Dit zou ook de excentrische ligging van de kerk t.o.v. het stadcentrum verklaren, helemaal in de Noord-Oostelijke hoek van de vesting, praktisch tegen de stadsmuur. Recent onderzoek heeft aangetoond dat het gebied waar de kerk staat al in de Merowingische tijd bewoond was. Later werd hier het landsheerlijke verblijf gebouwd, vlak achter de ‘eigenkerk’. Op 12 november 1259 draagt Goswijn van Millen het tiendrecht met met het daaraan verbonden patronaatsrecht van de St. Martinus over aan de Norbertijnen van de abdij van Averbode. In 1262 wordt de eerste Norbertijn, Johannes, tot pastoor benoemd. Averbode zal, met een onderbreking tussen 1588 en 1643, tot 1829 steeds de pastoor en 2 kapelaans benoemen.
Uit de Middeleeuwse tijd zijn er weinig gegevens bekend, afgezien van enkele oorkonden, zoals die uit 1298 of 1299, waarin ene Lodewijk Degen een stichting doet voor ‘het licht in de kerk alhier’, en een aflaatbrief uit 1304. Met de stadsrekeningen van 1408 komt er weer (bouw-) informatie.
Uit latere bronnen is bekend, dat de kerk meerdere gilde-altaren en ca. 20 beneficiën had. Deze beneficiën werden bediend door wereldheren, ‘zwarte heren’, in tegenstelling tot de Norbertijnen, die men naar hun toog ‘witheren’ noemde. Deze beneficianten hadden verder geen zielzorgerlijke taken.
Behalve de ‘hoochkerck’ waren er in Venlo twee zusterkloosters, de Nicolaaskerk met het klooster en de Latijnse school van de paters kruisheren en het klooster met kerk, thans Jongerenkerk, van de minderbroeders. Ten Noorden van de stad lag het klooster van de tertiarissen ‘Ingen Oede’ .
1546 - 1702
Vanaf ca. 1546 is er voor de R.K.-godsdienst zwaar weer op komst. Via de Venlose handelsroutes met Maastricht, Luik, Dordrecht en met name Antwerpen, raken de reformatorische ideeën hier bekend. Kapelaan Hendrik Kamerlinck, gesteund door aanzienlijke burgers, veelal ‘kremers’, dus kooplieden, sympathiseerde met deze ideeën. Franz van Holtmühle uit Tegelen liet, waarschijnlijk ten pleziere van zijn vrouw, hagepreken toe. In 1563 preekte Christiaen Mostart, alias Christianus Sinapius, een ex-benedictijn, in Tegelen.
Het jaar 1565 was een jaar van duurte. De prijzen van de eerste levensbehoeften, zoals roggebrood, bier, haring en spek stegen sterk, terwijl de lonen daarmee geen gelijke tred hielden. Dit veroorzaakte onrust, die samen met de onrust op religieus gebied een uitweg zocht. Dat resulteerde op 27 augustus en 5 oktober 1566 in een beeldenstorm, die ook de parochiekerk trof. De gereformeerden bezetten het klooster Trans Cedron en ‘zuiverden’ het. De predikant Engelbert Faber nam er met zijn aanhangers zijn intrek. De verscherpte plakaten en de dreigende komst van de hertog van Alva deden de rust terugkeren. Faber werd op 6 april 1567 door de magistraat de stad uit gezet. De ‘protestanten’ moesten gaan kerken in plaatsen waar zij getolereerd werden, zoals in Kaldenkerken. Op 26 oktober 1569 was de bisschop van Roermond, Lindanus, in Venlo om de ontheiligde altaren opnieuw te consacreren.
Na het concilie van Trente, 1545 - 1563, werden de gelovigen strikt gedisciplineerd. De R.K.-Kerk had een monopolistische aanspraak op de absolute waarheid. In Venlo, dat in het begin van de 17de eeuw onder het dekenaat Kriekenbeck kwam, leidde dit tot spanningen, met name tussen de Norbertijnse parochiegeestelijkheid en de bisschop. De residerende bisschop is als ordinarius loci de eindverantwoordelijke voor zijn diocees. Over leden van orden, zoals de Norbertijnen, heeft hij echter minder zeggingsmacht. De abt van het klooster heeft nl. zijn eigen jurisdictie. Tussen 1588 en 1653 waren de pastoors van de St. Martinus wereldheren. Na de inname van de stad door Parma op 28 juni 1586 werd de contra-reformatie zeer krachtig ter hand genomen. Alles werd ‘Romanum’. Pastoor Carolus Kersmaeckers, 1588 - 1595, reorganiseerde de personele voorziening van de kerk. Behalve de pastoor en de twee door Averbode benoemde kapelaans, bleven er zes beneficianten die de samengevoegde beneficies bedienden. Dit zou zo blijven tot in 1653 het conflict over de patronaatsrechten definitief geregeld was en de pastoors weer, tot 1829, Norbertijnen waren.
Er kwamen nieuwe en voldoende biechtstoelen, missaals en paramenten. Gestreefd werd naar een geloofsbeleving gericht op biechten, de communie en vroomheid. De Mariaverering werd via de Broederschap van de H. Rozenkrans nieuw leven ingeblazen. Hetzelfde gebeurde met de Aartsbroederschap van het H. Sacrament, die reeds in 1298 was opgericht.
1702 - 1802
In 1702 kwam Venlo tijdens de Spaanse successieoorlog onder Staats bewind. De gereformeerden namen de St. Joriskapel in bezit en, hoewel dit strijdig was met de bepalingen van het Barrièretractaat, mocht de gereformeerde gemeente deze kerk behouden. Toch was het niet altijd pais en vree. De publieke beleving van de R.K.-godsdienst veroorzaakte in de eerste jaren van "de 18de eeuw onder het bewind van de Hoogmogende Heren Staten-Generaal ", de nodige commotie. Het verbod op het publiek rondbrengen van de sacramenten en de sacramentsprocessie noopten de bisschop, Angelus graaf d’Ongnies et d’Estrées tot diplomatieke stappen in den Haag. Die werden met succes bekroond. Op 8 juni 1719 kon de sacramentsprocessie als vanouds trekken. Er bleven evenweel ook schermutselingen. De sacramenten (der stervenden) werden zo mu en dan ingezet als confessioneel strijdmiddel. Met name militairen, veelal afkomstig uit andere streken en niet katholiek, kwamen hiermee in aanraking. Hun huwelijken werden niet zelden twee maal gesloten én voor de dominee én voor de pastoor. Een arrest van 30 juli 1732 maakte aan deze praktijken een einde.
Allengs werd men verdraagzamer en vriendelijker jegens elkaar. Het ‘Dagboek van pastoor Joannes Chrysostomus van Postel’, 1781 - 1802, vermeldt onder 31 maart 1781 dat Van Postel met zijn 2 kapelaans aanwezig is geweest bij de uitvaart van dominee Smitman.
Er bestaat geen neerslag van het pastorale werk te Venlo, behalve de verslagen van de kerkvisitaties. Die van 1667 vermeldt, dat er 250 ‘heretici’ zijn op ca. 4.500 zielen. Duidelijk wordt echter, dat met name de kruisheren en de minderbroeders zeer actief waren in de zielzorg. De kruisheren verzorgden de catechismusles voor de jongens, de minderbroeders die voor de meisjes in hun kloosterkerk. Ook zijn zij actief bij het biechthoren en preken. De beneficianten, die in de 18de eeuw onder druk van het stadsbestuur weer sterk in aantal toenemen, lezen alleen de mis en deden verder geen pastoraal werk. In 1742 krijgen zij, maar ook de ‘parochieheren’ een strenge vermaning van de kapittel-vicaris van Roermond, Joannes Dispa. Zij moeten hun levenswijze verbeteren en mogen hun diensten niet meer verzuimen.
Opmerkelijk is het verzoek dat Joannes Baptist Conraedts in 1721 aan mgr. d’Ongnies richtte. Hij verzocht de bisschop een ‘cavea cleri’, een geestelijke wijnkelder te mogen openen. Op 7 november 1721 kwam, onder strikte voorwaarden, de goedkeuring voor twee jaar.
Met de bezetting van de stad door de Fransen op 26 oktober 1794 brak er voor de parochie en de geestelijkheid een moeilijke tijd aan. De priesters moesten in de bij Frankrijk ingelijfde gebieden een eed van haat jegens de koning zweren. Wie dat niet deed mocht geen diensten doen. Al snel waren er twee kampen. De priesters die de eed aflegden en zij die dat pertinent weigerden. De pastoor en zijn Norbertijnse medebroeders weigerden. Tot overmaat van ramp moesten zij in januari 1798 de pastorie verlaten. Veel gelovigen gingen naar de kerken in Tegelen, Kaldenkerken, Velden en Blerick omdat die nog niet bij Frankrijk ingelijfd waren. In 1797/98 werden de kloosters opgeheven en met hun inventaris als domeingoederen verkocht. Veel kloosterlingen kochten met de ‘bons’ d.w.z. een aandeel in hun klooster, hun bezit of delen daarvan terug. Zo kwam, via deze bons en en testamentaire beschikking dienaangaande van vier kruisheren hun kloosterkerk, een deel van hun klooster, enkele huizen en landerijen aan de St. Martinus in 1830. Na restauratie van deze z.g. Klaaskerk in 1879 door P. Cuypers, werd zij een rectoraatskerk van de St. Martinus tot haar verwoesting door een bombardement op 4 november 1944.
1802 - 2008
De laatste Norbertijnse pastoor te Venlo, Ludolphus van Veulen, door de prior van Averbode benoemd op 8 juni 1800, begon zijn pastorale werk in de illegaliteit. De St. Martinuskerk was in de handen van de ‘prêtres assermentés’, d.w.z. de beëdigde priesters. Ondanks alle verboden las Van Veulen de mis in zijn kamer bij de verver Mingen of in de zomerrefter van het voormalige kruisherenklooster. Hij werd 29 september 1800 gearresteerd en naar Roermond gebracht. Toen het concordaat van 1801 van kracht werd normaliseerde de toestand zich. Op Van Veulen rustte de zware taak de parochie weer op te bouwen en de eenheid te herstellen. Ondanks het feit dat Venlo, blijkens de volkstelling van 30 december 1812 voor 96 % katholiek was, was dit toch een zware opgave. Samen met de kapelaans Josephus Soeten, Wilhelmus van Beers en Antonius Hoemoet deden zij, geassisteerd door enkele voormalige kloosterlingen die in Venlo waren blijven wonen, de zielzorg. Ook nu waren er, zeker tot 1815, problemen met de wereldlijke overheid. Tot praktisch zijn laatste snik zette Van Veulen zich voor zijn kudde in. Hij overleed, goed 80 jaar oud, op 16 februari 1829.
Zijn opvolger was Carolus Th. Schrijnen, onderpastoor sinds 1825. Schrijnen, kind van Venlo, saneerde de beneficiën en de financiën. De beneficies maakten plaats voor reguliere kapelaansplaatsen. In de Belgische tijd, 1830 - 1839, stond Schrijnen als principieel katholiek op voet van oorlog met burgemeester Bontamps en de stadscommandant, De Brialmont. Vooral de laatste moest het, als voorzitter van de vrijmetselaarsloge ‘La simplicité’ zwaar ontgelden. De bisschop van Luik, mgr. C. van Bommel steunde Schrijnen steeds. Schrijnen zette zich bovendien met hart en ziel in voor het bijzonder onderwijs. Toen hij als deken van Venlo op 5 april 1870 stierf liet hij een bloeiende, krachtige parochie na.
Zijn opvolgers gingen op de door hem ingeslagen weg voort. De hoognodige restauratie van het kerkgebouw werd door P. Cuypers gerealiseerd in 1879/80. Er kwamen nieuwe glas-in-lood-ramen en een nieuw hoofdaltaar naar een ontwerp van kapelaan Joseph Windhausen.
De groei van de bevolking maakte de stichting van nieuwe parochies nodig. Zo ontstonden in de Sinselveldstraat de kerk van O.L.Vrouw, 1908, aan de Veldenseweg/Straelseweg in 1922 de H. Hartkerk en de kerk van de H. Familie aan de Belletablestraat in 1939. In 1911 keerden de minderbroeders terug naar Venlo.Zij namen de zorg voor het rectoraat St. Joseph op zich namen tot hun vertrek in 2004.
De dekens Bauduin, 1906 - 1927 en Van Oppen, 1927 - 1942, drukten hun stempel op de jaren voor de IIe wereldoorlog. Bauduin als bouwheer van huizen voor katholieke instellingen en scholen en Van Oppen als de principiële katholieke pastoor. Hij moest deze, de Duitsers niet welgevallige houding en kritiek, bekopen met de dood in de concentratiekamp van Vught, 16 februari 1943. Hij was niet de enige onder de geestelijkheid van de St. Martinus die dit lot onderging. Kapelaan Naus, gearresteerd wegens verzet, overleed 15 april 1945 in Bergen-Belsen. De assistent/vervanger van kapelaan Naus, pater Christofoor ccss., overleed eveneens in het vroege voorjaar van 1945 te Bergen-Belsen.
De opvolger van deken Van Oppen, M. Strijkers, stond vrijwel direct voor de zware taak om de Venlose bevolking bij te staan tijdens de zware bombardementen van het najaar van 1944 en de evacuatie in januari 1945. Na de bevrijding moest de op 5 november 1944 verwoeste kerk herbouwd worden. Met grote voortvarendheid heeft hij de wederopbouw, in vele betekenissen des woords, ter hand genomen. Kerstmis 1948 kon weer in de nagenoeg herstelde St. Martinus gevierd worden. Deken Strijkers was de laatste deken uit de periode die bekend staat als ‘het rijke Roomse leven’. Hij ging in 1965 met emeritaat. Voor zijn opvolger J. Kluijtmans tekenden zich de eerste tekens van verval spoedig af. Desondanks of juist daardoor stond hij open voor vernieuwingen. Zo werd in 1965 de Jongerenkerk in het leven geroepen onder leiding van kapelaan L. Brueren. Pogingen om met een soort Citykerk naar Amsterdams model het kerkelijk leven te revitaliseren hadden nagenoeg geen succes. De binnenstad liep leeg. Deken Kluijtmans overleed 30 december 1987.
Zijn opvolger, W.W.H.G van Rens, die benoemd werd in 1988, werd in 1999 pastoor-deken van Sittard.
Per 1 april 2000 benoemde bisschop Wiertz van Roermond drs. A.G.M Franssen tot pastoor-deken.
Deken Franssen werd op Pasen 2007 huiskapelaan van de paus met de titel Monseigneur.
Op 1 oktober 2008 ging hij met emeritaat.
Pastoor Jos W.H Spee van de drie geclusterde parochies Venlo-Oost werd per 1 oktober 2008
óók pastoor van de Sint Martinusparochie en deken van het dekenaat Venlo-Tegelen.
De pastoors - pastoor-dekens - van de St.-Martinuskerk in Venlo
Op 12 november 1259 draagt Gosewijn van Millen, heer van Grebben, zijn tiendrecht en het patronaatsrecht - het recht om de pastoor te benoemen - op de Venlose St.-Martinuskerk over aan de orde van de Norbertijnen van de abdij van Averbode (B).
Tot deze overdracht is de Venlose St.-Martinuskerk een zogenaamde eigenkerk, een kerk die eigendom is van een adellijke heer of een adellijk geslacht. Met een onderbreking van ca. 50 jaar in de 16de eeuw waren tot 1829 de Venlose pastoors, en met hen 2 vicepastoors, Norbertijnen uit de abdij van Averbode.
In 1829 wordt Carolus Theodorus Schrijnen, geboren te Venlo 4 mei 1797, de eerste pastoor-wereldheer. Uit de tijd vóór 1259 zijn er geen pastoors van de Venlose St.-Martinuskerk bekend, behalve Arnold van Borne, die op de woensdag na ’s Heren Hemelvaart 1261 zijn ambt neerlegt. 1261 - 1270, Joannes van Averbode
1270 - 1273, Godefridus
1273 - 1276, Joannes uit Tildonck.In 1276 wordt hij abt van Averbode.
1276 - 1279, Arnoldus
1279 - 1282, Everardus
1282 - 1297,Joannes uit Tildonck, die de abtswaardigeheid neerlegt en terugkeert naar Venlo.
1297 - 1298, Engelbert uit Schinnen, die 1298 kanunnik van St. Gereon in Keulen wordt.
1298 - 2 mei 1300, Jacobus uit Beervliet
1300 - 1357, Arnoldus uit Venlo
1357 - 1360, Joannes
1360 - 1399, Theodoricus. Hij ondersteunt de stichting van een klooster van Kruisheren te Venlo. ? 1410 - 1418, Joannes uit Geldern
1418 - 1423, Wilhelmus uit Eggertingen, overleden te Sutendael 9 januari 1447.
1423 - 1439, Peter van den Grave uit Straelen
1439 - 1453, Michael Houtacker uit Brede
1453 - 1483, Herman van der Wetten uit Roermond, overleden te Venlo 1483.
1483 - 1486, is er geen pastoor
1486 - 1501, Bartholomeus Braxatoris ( Brouwers), wordt met 23 jaar pastoor en overlijdt 22 april 1501.
1501 - 1522, Matthias Hephens uit Oisterwijck, overlijdt te Venlo 9 oktober 1522.
1522, 13 oktober - 5 november 1543, Henricus Pauwels. Hij was tot 13 oktober 1522 pastoor te Blerick.
1543, 12 november - 22 januari 1546, Joannes Boenroy uit Leuven. Tot 12 november 1543 was hij vele jaren pastoor te Blerick.
1546, 10 mei - 24 juni 1557, Benedictus Tielens uit Erp. Hij keert op 24 juni 1557 terug naar zijn eerdere standplaats Rotzelaer, waar hij 15 september 1570 overlijdt.
1557 - 9 oktober 1579, Petrus Hoich, alias Van Camp Venlonaar. Hij overlijdt te Venlo.
1579, 21 april - 28 juni 1586 is er ten gevolge van de bezetting van de vesting Venlo door de Staatse troepen, geen pastoor en is de r.k.- godsdienst verboden.
1586, Hugo van Amerongen, die op 13 juni 1586, op weg naar zijn standplaats wordt vermoord.
1586 - 1587, Franciscus van Oyenbroeck, die door bisschop Lindanus tweemaal als pastoor geweigerd wordt.
1587, april - 23 augustus 1587, Mattheus Thys uit Eersel, prior in Averbode en pastoor te Testelt, overlijdt te Venlo aan de pest 23 augustus 1587.
1588 - december 1595, Karel Kersmakers uit Leuven, wereldheer. Bisschop Lindanus had een hooglopend meningsverschil met de abdij van Averbode over het patronaatsrecht dat werd bijgelegd in 1643.
1596- 1602, Willem Hezius,wereldheer.Vanaf 1605 is hij rector in het Venlose klooster Transcedron, waar hij 27 januari 1614 overlijdt.
1602, 11 november - begin november 1615, Dominicus Simonis, wereldheer
1616, vier maanden, Jacobus Mombaers, wereldheer
1616 - 14 juni 1636, Goswinus Deckers, wereldheer. Hij overlijdt te Venlo.
1636 - 1643, Cornelis Poirters, wereldheer. Hij draagt de pastorie in 1643 over aan Martinus Puteanus Norbertijn van Averbode.
1643 - 12 oktober 1653, Martinus Puteanus. Hij wordt 12 oktober 1653 proost van het klooster te Keijzersbosch, waar hij overlijdt op 1 mei 1681.
1653, 20 oktober - 13 januari
1655, Hendrik Regals of Rega. Hij overlijdt te Venlo 13 januari 1655.
1655, 6 september - 18 januari 1679, Michaël Clercq uit Mechelen
1679, februari - 1 december 1683, Ludovicus van de Venne uit Leuven. Hij overlijdt te Venlo 1 december 1683.
1683, 10 januari - 1698, Stephanus van der Steghen uit Tienen. Hij wordt in 1698 abt van Averbode. 1698, augustus - 11 februari 1703, Philippus Willems uit Hasselt. Hij overlijdt te Venlo aan dysentrie 11 februari 1703.
1703, april - 10 september 1705, Gerardus Hermans uit Herck. Hij is bij zijn benoeming onderpastoor te Venlo en wordt 10 septembner 1705 prior in Averbode.
1705, september - oktober 1717, Judocus van Herck uit Schinay
1717, 20 oktober - 7 december 1733, Gerlach Gilkens uit Roermond. Op 7 december wordt hij pastoor te Blerick. Hij overlijdt te Venlo 27 november 1742 en wordt te Keijzersbosch begraven. 1733, 23 december - eind mei 1753, Herman Stevens uit Tienen
1753, 11 juni - 27 februari 1772, Thomas Aquina Caenen uit Reckheim. Hij overlijdt 27 februari 1772 en wordt begraven te Keijzersbosch.
1772, begin maart - 17 juni 1780, Bernardus Millet uit Antwerpen
1780, juni - 1788, Timoteus van den Broeck uit Boisschot
1788 - 5 juni 1800, Joannes Chrysostomus van Postel uit Antwerpen. Hij overlijdt, door de Franse bezetter verbannen uit de “Weem” bij de blauwverver Menge in de Peperstraat op 5 juni 1800. 1800 - 16 februari 1829, Pieter Godfried van Veulen uit Tongeren. Hij is de laatste pastoor van de St.-Martinuskerk uit de orde der Norbertijnen.
Seculiere pastoors - pastoor-dekens 1829,
20 juli - 5 april 1870, Carolus Theodorus Schrijnen, uit Venlo. Hij is sinds 6 mei 1833 de eerste deken van het dekenaat Venlo. Hij overlijdt te Venlo 5 april 1870.
1870, 5 mei - 31 maart 1884, Godefridus Raetsen, pastoor - deken. Hij overlijdt te Venlo 31 maart 1884.
1884 - 21 januari 1892, Dr. Lambert van de Winkel, pastoor - deken. Hij overlijdt te Venlo 21 januari 1892.
1892, 18 februari - 31 juli 1906, mgr. Charles Theodorus Marres, pastoor - deken. Hij overlijdt te Venlo, 31 juli 1906 en wordt begraven op het kerkhof aan de Wylrehofweg.
1906, 2 oktober - 8 oktober 1927, Matheus Wilhelmus Hubertus Bauduin, pastoor - deken. Op 8 oktober 1927 gaat hij met emeritaat en overlijdt te Venlo 9 februari 1928. Hij wordt begraven op het kerkhof aan de Wylrehofweg.
1927, 17 oktober - 16 of 17 februari 1943, Jules Louis Antoine van Oppen, pastoor - deken, wordt door de Duitse bezetter wegens kritische uitlatingen over propagandafilms over- gebracht naar het concentratiekamp Vught, alwaar hij op 16 of 17 februari 1943 overlijdt.
1943, 30 mei - 1965, Mathieu Pierre Joseph Strijkers, pastoor - deken. Hij gaat in 1965 met emeri- taat en overlijdt te Venlo 29 juli 1969. Hij wordt begraven op het kerkhof aan de Wylrehofweg in hetzelfde graf als zijn eerdere voorganger, mgr. Charles Marres.
1965 - 30 december 1987, Joannes Maria Kluytmans, pastoor - deken. Hij overlijdt te Venlo 30 december 1987 en wordt begraven op het kerkhof aan de Wylrehofweg. Zijn graf ligt ruggelings tegen dat van mgr. Nolens, minister van Staat.
1988 - 1999, Willibrordus Wilhelmus Hendrikus Gerardus van Rens, pastoor - deken. In 1999 wordt hij deken van Sittard.
2000, 1 april - 1 oktober 2008, mgr. Andreas Gerardus Marie Franssen, pastoor - deken. Hij gaat op 1 oktober 2008 met emeritaat naar Cadier en Keer waar hij assistent wordt in meerdere parochies. 2008, 1 oktober - Josephus Hubertus Willem Spee, pastoor - deken. Tevens pastoor van de parochies van de H. Familie, St. Joseph en Don Bosco.
09.08.2010, J. Lamberts