Sint Martinuskoor

 

 

HET SINT MARTINUSKOOR - 1000 JAAR KERKMUZIEK

 

Waarschijnlijk heeft de r.k.-kerk altijd gezongen en gemusiceerd. Toen paus Gregorius de Grote, 590 - 604, de kerkmuziek in het, als “Gregoriaans” bekend geworden model, reorganiseerde kende men al tijden Moorse, Spaanse, Italiaanse, en Orientaalse muziek in de kerk. Muziek en gezang hebben in de kerk en de erediensten dus een heel oude oorsprong en lange traditie.

 

De Sint Martinus in Venlo vormt daarop geen uitzondering. Voor de oudste tijden hebben we echter geen schriftelijke bronnen. De eerste vermelding aangaande muziek in de kerk, is de stadsrekening van 1408, die de betaling van de organist van de Sint Martinus vermeldt. Dit wettigt het vermoeden, dat er reeds lang voor 1408 in de kerk werd gezongen en gemusiceerd.

 

Vanaf het begin van de 15de eeuw raakt in parochiekerken het zingen van de getijden in gebruik. Zeer waarschijnlijk heeft de Broederschap van de Getijden, voor wie eind 15de eeuw de koorbanken in de Sint Martinuskerk worden vervaardigd, op bepaalde dagen de getijden gezongen. Op 7 februari 1557 keurt de magistraat van Venlo de aanstelling van een “choormeester’ goed. Hij moet in de hoogmis, de begrafenismissen, tijdens de completen, en de vespers zingen met de leerlingen van de school. In de 16de eeuw heeft de kerk twee orgels.

 

Desalniettemin taant vanaf de renaissance de glans en de populairiteit van het Gregoriaans. Polyfone muziek krijgt steeds meer de overhand. Missen van Palestrina, 1525 - 1594, en anderen staan steeds vaker op het programma. Als in 1577 paus Gregorius XIII, 1572 - 1582, “het overtollige, smakeloze en zinledige” uit het graduale laat schrappen, lijken de dagen van het Gregoriaans geteld. Gaat Venlo hier ook in mee ? In het Oud Archief Venlo wordt een antifonale van de St. Martinuskerk in Venlo uit het midden van de 18de eeuw bewaard. Dit duidt in elk geval op een levendige muzikale praktijk in de St. Martinus, waaruit het Gregoriaans kennelijk dus nog niet verdwenen is.

 

In die zelfde 18de eeuw bekostigt de magistraat van de stad de zang en de muziek in de kerk en omschrijft deze in 1753 als “musyck eene dier loffelijke excercitien in dewelcke ter weghneming van de ledighganck en ten voordele van de jonckheid niet alleen dienen ingevoerd maar ook gehandhaafd te worden”. In deze tijd heeft de St. Martinuskerk een bassist, 2 violisten en een zangeres, Elisabeth Messemaeckers.De families Messemaeckers en Fodor leveren behalve de genoemde vocaliste enkele generaties lang ook enige instrumentalisten en kapelmeesters, die op hun beurt bijgestaan worden door koralen. De voorzichtige conclusie zou kunnen luiden, dat in de provincie, althans in Venlo, de nieuwe mode naast de traditie een plaats had.

 

Na het vertrek van de Fransen in 1814, als de abdij van Averbode niet in haar patronaatsrechten wordt hersteld, gaat het met de muziek in de Sint Martinus bergafwaarts. In 1825 worden de klachten op papier gezet en de zangmeester, Andreas Jacob Diederen, ter verantwoording geroepen. Hierdoor treedt voor het eerst de figuur “zangmeester” voor het historische voetlicht. De organist is dan Joannes Andreas Messemaeckers, 1752 - 1832. In overleg met de kerkmeester, J.A. Mulder, gaat Diederen aan de slag om de zang in de kerk te verbeteren. Hij brengt ca. 20 mannen bijeen om als kerkkoor te gaan fungeren. Diederen geeft de koorleden muziekles en verzorgt de repetities. Daarmee is in 1825 de stichting van het nu nog bestaande Sint Martinuskoor een feit.

 

Er worden missen van J. Haydn en Kraft ingestudeerd en de resultaten lijken én bij de parochianen én het kerkbestuur aan te slaan, want het salaris van Diederen wordt van fl. 87,50 verhoogd naar fl. 100,-- per jaar. In 1829 neemt Diederen, wegens gevorderde leeftijd, ontslag. De organist, Joannes A. Messemaeckers, neemt tot zijn overlijden in 1832, de functie van zangmeester over. Zij zoon, Everardus Joannes volgt hem op als organist. Als nieuwe zangmeester wordt in 1832 Laurens Linssen benoemd. Diens jaarwedde wordt bepaald op 370 franken, die van Messemaeackers op 550. Na aanvankelijke strubbelingen tussen de piepjonge Linssen en de al wat oudere organist, lijken in 1836 alle problemen overwonnen. De bisschop van Luik, Cornelius van Bommel, wordt met veel muzikaal vertoon ontvangen. In 1848 zijn er echter opnieuw klachten. Linssen heeft naast zijn functie als zangmeester ook een betrekking als klerk op de gemeente-secretairie. Afgesproken wordt, dat zijn broer Martinus hem zal assisteren, tegen een jaarwedde van fl. 50,--. Als Laurent Linssen in 1855 tot griffier van het kantongerecht te Venlo wordt benoemd, neemt hij ontslag als zangmeester. Zijn broer Martinus volgt hem op. Hij ontvangt daarvoor fl. 200,-- per jaar. De koralen, als semi-beroepszangers, ontvangen fl. 70,--, de zangers fl. 30,-- en fl. 45,-- gratificatie en de instrumentalisten fl. 20,--.

 

In 1855 tekenen zestien koorzangers het “reglement aangaande de effectieve leden van het St. Ceciliagezelschap”. In 1860 wordt dit reglement, omdat er klachten zijn, herzien. In 1863 wordt Everardus Messemaeckers, na diens overlijden, opgevolgd door zijn zoon, Theodorus. Deze zal tot zijn dood in 1899 het orgel in de Sint Martinus bespelen.

 

In het laatste kwart van de 19de eeuw is men zeer actief in de beoefening van de kerkelijke zangkunst. De bibliotheek wordt uitgebreid met de Missa Opus 8 van Scholler, de Missa van Molitor en met kerkelijke liederen van Haller, Singenberger en Witt. In 1885 krijgt het koor een eigen vergader- en repetitielokaal in het voormalige Kruisherenklooster in de Begijnengang. Er wordt hier ook een harmonium geplaatst.

 

Na het vertrek van Willy Geyer, organist van 1899 - 1910, die ook Venlona oprichtte, worden in 1910 - het koor telt dan 17 leden - de functies van koordirecteur en organist weer verenigd in de persoon van Kees de Rooy, 1886 - 1939. Hij had, in zijn opleiding, o.a. in Duitsland, hoge onderscheidingen gekregen voor zijn orgel- en pianospel. Nog in het jaar van zijn benoeming richt hij een jongenskoor - in het Venloos “de kraölkes” genoemd - van zo’n 25 leden op, dat helaas maar vier jaar bestaat. Het koor zingt niet alleen met grote toewijding tijdens de erediensten, de processies en andere feestelijke gelegenheden, ook de gezelligheid krijgt de nodige aandacht. De jaarverslagen melden trouw de uitstapjes en de Ceciliavieringen, die kennelijk zeer gezellig en geslaagd zijn.

 

Er wordt weer meer aandacht besteed aan het Gregoriaans. De invloed van de revitalisatie van deze gewijde muziek door Solesmes doet zich gelden. In 1907 verschijnt het, in de geest van Solesmes, herziene graduale. Kees de Rooy, maar meer nog zijn zoon Lo, zijn liefhebbers en promotoren van het Gregoriaans. Dit blijkt o.a. ook uit het feit dat vanaf 1918 het Martinuskoor regelmatig de dekenale Gregoriusdagen organiseert. Toch blijft het zwaartepunt, zo lijkt het althans, liggen op de polyfone muziek. Zo wordt er in 1917, ter gelegenheid van de her-inwijding van de uitgebreide kapel van Genooi, een mis van Alfons Diepenbrock ingestudeerd, als ook een feestcantate van de hand van Kees de Rooy.

 

De jaren van het interbellum, 1918 - 1940, die toch bewogen genoemd kunnen worden vanwege de voortdurende oorlogsdreiging en de wereldwijde economische crisis, gaan voor het koor kennelijk zonder grote problemen voorbij. Er worden in deze periode enkele jubilea gevierd, waaronder het 12 ½ jarig jubileum van de organist-directeur en het 25 jarig jubileum van de heer Michel Beek. Een hoogtepunt in deze jaren is ongetwijfeld de inwijding van het nieuwe orgel, gebouwd door de firma Seifert uit Kevelaer in 1924. Bij de viering van het 500-jarig bestaan van de parochiekerk in 1930 luistert het koor op grootse wijze de diensten op. Op de derde zondag na Pasen in 1934, zendt de KRO de door het koor gezongen hoogmis uit. Dat was toen en enorme gebeurtenis !

 

De plotselinge dood van Kees de Rooy op 1 juni 1939, is een zware slag voor het koor. Spontaan wordt besloten hem te eren met een grafmonument op het Venlose kerkhof. Zijn zoon Lo treedt in de voetstappen van zijn vader en wordt organist-directeur. Als promotor van het Gregoriaans richt hij in 1941 een schola op voor de wisselende gezangen. In 1942 legt hij een ingrijpend reorganisatieplan op tafel, dat o.m. de oprichting van een jongenskoor inhoudt. Bij de pontificale uitvaartmis voor de in februari 1943 in het concentratiekamp Vught overleden deken van Oppen, treedt dit voor het eerst op. Ook de rector chori, kapelaan Jacques Naus, overleeft het concentratiekamp niet. Hij overlijdt te Bergen-Belsen op 15 april 1945. Met de uitvoering van de Missa Pontificalibus van Perosi, kerstnacht 1942, zet Lo de Rooy zijn accenten voor de polyfone muziek. De modernere polyfone muziek gaat allengs een grotere rol spelen, mede door het jongens- of knapenkoor.

 

De rampzalige brand van toren en kerk op 5 november 1944 legt vele plannen tijdelijk lam. Helaas gaat bij deze brand ook de bibliotheek van het koor verloren. De fronttijd, van half november 1944 tot 1 maart 1945, ontreddert de Venlose samenleving. Vele burgers moeten evacueren en na de bevrijding moeten alle zeilen worden bijgezet voor de herbouw van de zwaar verwoeste stad en haar hoofdkerk.Voor de kerkdiensten wijkt de parochie uit naar de voormalige kloosterkapel van de Minderbroeders aan de Lohofstraat, thans de Jongerenkerk. Hier wordt gekerkt tot de her-ingebruikname van de Sint Martinuskerk, kerstnacht 1948. Het koor levert, in de tijd dat men in de Minderbroederskerk verblijft, steeds, zo goed en zo kwaad als het gaat, zijn bijdrage aan de diensten en bovendien bereidt het zich voor op de dag van de terugkeer naar de herbouwde kerk.

 

De inwijding van het nieuwe grote orgel, gebouwd door de firma Verschueren uit Heythuysen, Kerstmis 1952, is een absoluut hoogtepunt in het leven van de de organist-directeur en de leden van het koor. Hendrik Andriessen componeert een speciale mis, “Missa Te Deum Laudamus”, die kerstnacht 1952 voor het eerst ten gehore wordt gebracht.

 

Om persoonlijke redenen neemt Lo de Rooy in 1955 ontslag. Hij vertrekt naar Eindhoven, naar de St. Catharinakerk. Hij wordt opgevolgd door het duo Joop Grubben als dirigent en Anton van Deurzen als organist. Michel Beek, die in 1931 zijn zilveren jubileum als koorzanger vierde, viert in 1956 zijn 60-jarig, zijn diamanten jubileum. In de herfst van dat jaar reist het koor naar Rome, waar het door de paus in audiëntie wordt ontvangen. In 1960 zingt het koor, in samenwerking met het Tegels Symfonie-orkest met veel succes in de Dionysiuskerk te Krefeld, een partnerstad van Venlo.

 

In 1960 nemen Joop Grubben en Anton van Deurzen afscheid van het koor. Ze worden opgevolgd door Jan Verberne als dirigent en Thijs Spaan als organist. De nieuwe richtlijnen van het Tweede Vaticaans Concilie hebben grote invloed op de vorm van de eredienst. Het latijn wordt verdrongen door de landstaal en tengevolge daarvan wordt er ook veel muziek op latijnse teksten niet meer gezongen. De volkszang neemt voor een groot deel de vroegere rol van het koor over. Deze gang van zaken leidt tot een zekere matheid en tot verloop bij het koor. In 1967 wordt, bij gebrek aan belangstelling, het jongenskoor opgeheven. In plaats van dit jomgenskoor komt een dameskoor van vijf sopranen en acht alten het traditionele mannenkoor versterken. Nieuw is het ongetwijfeld ook, dat in 1969 het koor een leek, de heer Perree, als voorzitter krijgt. Meer dan 140 jaar is de pastoor-deken dan q.q. voorzitter geweest.

 

In 1970 viert de heer Janssen zijn 40-jarig jubileum als koorzanger én als zanger bij Venlona. Het mag significant voor het elan van het nieuwe, gemengde, koor genoemd worden, dat men de Krönungsmesse van Mozart kan uitvoeren. In 1975 wordt met grote luister het 150-jarig bestaan van het koor gevierd. In 1992 overlijdt plotseling Thijs Spaan. Hij wordt opgevolgd door Carlo van Ulft, die tot 1 juli 1997 als organist fungeert. Vanaf die datum wordt het orgel bespeeld door Theo Hes. Ben Benders leidt al vanaf 1981 het Sint Martinuskoor. Bij het 1000-jarig bestaan van de parochie in 1993, wordt een “Vol Jaar Muziek”, waarin landelijk zéér bekende koren optreden, georganiseerd. Bij de opening ervan, op 1 januari 1993, levert het koor zelf met de uitvoering van de Missa Festiva van A. Gretchanioff en enkele liederen, waaronder Laudate Dominum van A.W. Mozart, een schitterende bijdrage. Het koor sluit, samen met het Sint Franciscuskoor en het H. Hartkoor, op 13 november 1993, tijdens een pontificale mis, dit jubileumjaar af met de Missa in G dur van Franz Schubert en het Ave Verum van Mozart.

Het Sint Martinuskoor is het oudste nog bestaande koor in Venlo.