Preek van zondag 6 mei 2012 door deken J Spee
5e zondag van Pasen (B). 2012.
Wanneer jij met iemand en dus die iemand met jou een verbintenis aangaat dan ben je aan elkaar verplicht. Dan ben je op grond van die verbintenis met elkaar verbonden. Wetten beschrijven en beschermen de regels en ook de voorwaarden ervan. Die verbintenissen kunnen allerlei gronden en oorzaken hebben.
Ze kunnen bijvoorbeeld zakelijk zijn en op grond van bepaalde afspraken overeengekomen zijn. En ze zijn doorgaans voor een bepaalde tijd bedoeld. Ze kunnen ook gebaseerd zijn op genegenheid, en dan krijgen de verbintenissen een andere naam. In de zakenwereld spreek je bijvoorbeeld over een contract en in de niet zakelijke wereld over een huwelijk, of een andersoortige relatie, over vriendschap etc. Ook dan maak je met elkaar afspraken en je tekent dan niet alleen met een pen, maar ook en veeleer met je hart. Veelal gelden hier meer de regels van de ongeschreven dan van de geschreven wetten. Sommige van die verbintenissen zijn bedoeld voor het leven. Of mensen dat altijd volhouden en ook willen volhouden, daarover kan ieder van ons vertellen uit eigen ervaring of uit ervaringen van mensen die dicht bij ons staan en van hen die daar ooit stonden. Sommigen vertellen over hun ervaringen. Ooit sloten ze een huwelijk of een vriendschap in de veronderstelling dat dit voor het leven zou zijn. Nooit meer zonder die ander. Dat wilde men, dat was het grote ideaal. Jaren later moest dat helaas worden bijgesteld. Wat ooit verstrengeld was en onlosmakelijk leek ging toch uiteen. Soms voelde het zelfs als een opluchting. Een innige relatie kan ontstaan en alsmaar verder groeien tot iets dat alles heeft van een totale eenheid in de verscheidenheid van de individuen. Wanneer je dat mag overkomen in het leven moet dat wel de allermooiste ervaring voor mensen zijn.
Over zo'n relatie spreekt Jezus vandaag tot iedereen die Zijn leerling wil zijn. In een vergelijking hiermee wijst Hij op de wijnstok en diens ranken. Inderdaad vertoont deze plant een zo grote verbondenheid tussen stok en ranken dat je het verschil tussen die twee praktisch niet kunt zien. En naarmate de wijnstok door de tijd heen groeit wordt die verbondenheid steeds intenser. En Zijn toehoorders herkennen het, want de wijnstokken tooien het landschap.
Ook hier gaat het om een niet zakelijke verbintenis. Net als bij huwelijk en vriendschap is de basis ervan: de liefde. Niet een exclusieve liefde tussen twee mensen, maar een universele liefde die van God uitgaat. Jezus noemt God Zijn Vader dan ook: de wijnbouwer. Maar ook gaat de vergelijking met het huwelijk wel degelijk op, want de verhouding tussen Jezus en Zijn leerlingen, de kerk dus, wordt dikwijls beschreven en gezien als die van de bruidegom ten opzichte van zijn bruid.
Een geweldig ideaal zet Jezus hier neer. Een intense verbondenheid in liefde tussen God en mens. Maar dat moet je wel willen en ook kunnen volhouden.
Vader en Zoon God willen dat voor altijd en eeuwig. Maar of de andere partner, de individuele mens dus, dit zo wil en kan volhouden blijft altijd de vraag.
Het is een vraag die iedere mens alleen voor zichzelf kan beantwoorden. Sommige mensen ervaren de band met hun geloof als te strak. Zij willen niet leven aan een leiband. Ze laten los en gaan een eigen weg. Want is het dikwijls al niet gemakkelijk om in een relatie van twee personen de juiste weg te vinden om de vrijheid van de één ten opzichte van de ander volledig tot zijn recht te laten komen, in de gemeenschap van miljoenen die samen de bruid vormen van de ene bruidegom is dat nog veel moeilijker. De individuele gelovige heeft niet zozeer last van de relatie met God als wel met die van de medegeloofsgenoten en dikwijls in het bijzonder met degenen die leiders zijn in die gemeenschap. Het zou dan al te gemakkelijk zijn om de mensen die daarom niet langer mee willen of kunnen te beschouwen als de ranken die in het vuur geworpen worden. Dat voorbeeld horen we Jezus namelijk vandaag noemen. De rank die verdort is, dat is degene die geen vrucht draagt, geen liefde uitstraalt en dus niets bijdraagt tot instandhouding en groei van het geheel.
Alleen aan God komt het oordeel toe, zo Hij al wil oordelen.
Al met al is het een mooi stuk evangelie, en er wordt een prachtig ideaal in geschilderd. Laten we hopen en bidden dat we het mooie ervan bewaren en trachten het ideaal te bereiken, ieder voor zich en samen, van dag tot dag en van uur tot uur.
AMEN.
Preek van zondag 1 mei 2012 door deken J Spee
4e zondag van Pasen. (B). 2012.
Soms is er dat ene verhaal, dat ene lied, dat inslaat als een bom zoals we dat noemen. Praktisch iedereen vindt het mooi en voelt zich erdoor geraakt tot in het diepst van het hart. Het HEEFT iets zeggen we dan en daarmee drukken we uit hoe verwant we er ons mee voelen. Door die tekst ontstaat er een collectief gevoel van welbehagen.
Een dergelijke tekst horen we vandaag uit het evangelie volgens Johannes. Johannes, de jongste van Jezus' leerlingen en Zijn beste vriend, was erg gevoelig voor dit soort teksten. Hij geeft ze dan ook graag weer. Het is het verhaal van de herder en de schapen. Het roept mooie beelden op, beelden van groene weiden en van wollige schapen die lopen te grazen zonder zich druk te hoeven maken over dreigend gevaar, want er is een herder die over hen waakt. Het tegendeel van deze idylle wordt geschetst door aan te geven wat er gebeurt wanneer die goede en rustgevende herder niet in de buurt is. Dan ontstaat er paniek, dan komt de verslindende wolf en niemand voelt zich geroepen om de kudde te bewaken, want die het zou moeten doen is er als een haas vandoor gegaan.
Een naar beeld, een kille vertelling. We horen het niet graag. Gelukkig neemt het verhaal weer een wending ten goede: "Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij". De idylle is terug. Zo horen we het graag, precies zoals we graag luisteren naar mooie muziek dat ons hart beroert of een lied dat ons hart doet smelten van geluk. Maar het verhaal staat midden in het leven. En het leven is dikwijls anders dan de idylle die wordt opgeroepen door de mooie vertel- of zangkunst. "Het leven is hard" is een veel gebezigde uitdrukking. Een uitspraak die komt uit de ervaring van generatie op generatie met het leven worstelende mensen.
Je kunt die uitspraak niet ontkennen, want tv beelden en de berichten in de krant onderstrepen het waarheidsgehalte ervan. En zonder tv en zonder krant komen we tot dezelfde conclusie, want je hoeft maar om je heen te kijken of naar jezelf. Kunstenaars en artiesten scheppen er genoegen in om hun publiek een avondje boven de gewone dingen van de dag uit te tillen en ze zo een paar uur genot te verschaffen. Maar ze weten net als wij, dat na het vallen van het doek het leven van elke dag weer gewoon verder gaat. Dat is anders met het verhaal dat we vandaag mochten beluisteren. Jezus is zonder twijfel een getalenteerd verteller. Hij weet de harten van de mensen te raken, maar het gaat Hem niet om een avondje vertier, het gaat Hem om iets dat veel groter is, namelijk: het leven! "Ik geef Mijn leven voor mijn schapen". Artiesten, hulpverleners, vrijwilligers, ze geven heel wat, ze gaan heel ver en putten zich uit om de medemens te verheffen en bij te staan.
Maar ze geven niet hun leven, althans niet vrijwillig, om er voor de ander te zijn. Ze hoeven dat ook niet. Dat vieren en gedenken we wel in de Paastijd: Namelijk dat Jezus Zijn leven totaal heeft opgeofferd om ons nabij te zijn. En dat was een hele weg om te gaan. In de geloofsbelijdenis wordt dat diepe en ingrijpende gebeuren met één enkele zin aangeduid: "Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven". Maar dat gaat heel diep! Het zijn juist die dingen waar wij mensen zo beducht voor zijn maar die ons wel overkomen: lijden, sterven, begraven worden. Daarna belijden we als gelovige mensen Zijn verrijzenis, Zijn Hemelvaart en het eeuwige leven! In lijden en sterven staat de herder ons bij en verrijzenis en eeuwig leven worden ons door Hem geschonken. We benoemen het met één woord: "Hemel". Het roept een rustig en idyllisch beeld op, zoiets als een groene weide met grazende schapen die zich nergens druk over hoeven maken, want de herder is dichtbij, en die waakt. Je veilig voelen, onbezorgd kunnen zijn, te leven hebben zonder al die zorgen en vertwijfeling. Het doet je hart smelten. En dan niet voor een avondje, maar voor een periode die niet in tijd is uit te drukken en die we daarom maar de naam geven: "eeuwig". Het is goed om dat mooie beeld en dat gevoel proberen vast te houden op deze vierde zondag van Pasen. Johannes gunt het ons en Jezus garandeert het ons. Nu wij nog: met een wellicht aarzelend geloof en weifelende houding. Dat is begrijpelijk want het leven leert ons zo dikwijls heel andere dingen. Dus zullen we moeten en durven geloven in hetgeen we zo graag willen.
AMEN.
Preek van zondag 22 april 2012 door deken J Spee
3e zondag van Pasen. (B). 2012.
Van het ene verhaal komt het andere. Zo gaat dat bij ons mensen. Eerst durft niemand eigenlijk iets te zeggen uit angst om voor dwaas te worden aangezien, maar wanneer het ene schaap over de dam is, zo luidt het gezegde, dan volgen er meer. Ook de Paasverhalen zijn die weg gegaan. Het begon met de beleving van een vrouw alleen bij dat geopende graf. Zij werd door de jonge kerk wel met verbazing aanhoord, maar niet tot dwaas verklaard. Men nam zelfs de moeite om haar verhaal te toetsen. En toen begonnen er allengs meer verhalen te komen. Men durfde ervoor uit te komen dat hetgeen tot de onmogelijkheden leek te behoren toch werkelijkheid geworden was, namelijk dat de gekruisigde en gestorven Heer uit de doden was opgestaan. Een aantal van die ervaringsverhalen hebben we al gehoord. En vandaag is er in het evangelie een verslag van de zogeheten Emmaüsgangers die hun belevenissen willen delen met de jonge kerk.
De verhalen die ze elkaar vertellen zijn geen sensatieverhalen. Ze willen elkaar bemoedigen in het verrijzenisgeloof. En wat je deelt met anderen maakt jezelf sterker en evenwichtiger. Je voelt je bevestigd in hetgeen je in geloof hebt aanvaard. En de Verrezene Zelf lijkt dit alles te ondersteunen door te midden van hen op een unieke wijze aanwezig te zijn. Niet als een dode mens die weer levend is geworden, maar als een unieke Persoon: de Verrezen Heer.
Op een bepaalde manier tastbaar en niet zoals een spookachtige geest vluchtig als lege lucht. Want een geest eet en drinkt niet.
En het is juist datgene wat de Verrezen Heer wel doet. Een verrijzenislichaam, en dat is hetgeen wij eens allen zullen mogen dragen zo leert ons het geloof, is iets unieks. Dat mogen we in geloof aanvaarden, want we hebben er geen ervaring mee. Mensen die schijndood zijn geweest, keren terug zoals ze voor dat moment van schijndood waren. En in een lichaam dat werkelijk gestorven is, keert het leven niet meer terug. Wij hebben dus geen ervaring met hetgeen de apostelen en anderen toen hebben gezien en gehoord.
Wat we wel weten is dat het hen niet tot angstige mensen heeft gemaakt, maar juist tot blijde mensen vol durf en geloof in het leven. Daarvan getuigt ook de eerste lezing van deze zondag. Petrus preekt leven en vergeving. Hij weet wat het is om na dat afschuwelijke gevoel van een verrader en een loochenaar te zijn, je weer opgenomen te mogen weten in Gods liefde. Hij verwijt zijn toehoorders dan ook niets. "In onwetendheid" hebben ze gehandeld zo vertelt hij hen.
Net als hijzelf dat ooit deed. Onwetend en vooral bevreesd. En dat is nu van hem afgenomen. En de blijheid daarover klinkt door in alle verhalen van de jonge kerk. We vieren Pasen 2012. Bijna al tweeduizend Pasen. We zijn nog niet alle blijheid kwijt, maar er is toch ook heel veel zorg in de kerk van heden.
De verkondiging is, wanneer we naar de hedendaagse kerkleiders luisteren, ook dikwijls heel somber. Het lijkt er soms op alsof al die enthousiaste verhalen van weleer hun glans achter zich hebben gelaten. We vertellen ze nog wel en we lezen ze hardop voor, maar ze komen ons soms meer over als een stuk geschiedenis dat afgesloten is dan als een inspirerend en levend verhaal voor hier en nu. Dat ligt aan ons, niet aan de verhalen!
Herinnert u zich nog de opening van het Tweede Vaticaanse Concilie? Dat is korter bij dan tweeduizend jaar geleden. Dat was ook een soort Pasen! De kerk verrees uit oude en versleten gewoonten tot een vurige gemeenschap die de nieuwe tijd in de ogen durfde zien. Een moedige paus durfde moedige woorden te spreken in de trant van zijn allereerste voorganger: Petrus. Misschien dat we meer op die manier met elkaar moeten durven omgaan. Allereerst vol van blij geloof omdat de Heer is verrezen. Dan vol vreugde omdat al onze fouten en tekorten er niets toe doen en verbleken in het licht van Gods liefde. Wellicht geeft ons dat weer het gevoel dat de Heer midden tussen ons in staat. Niet veroordelend maar bemoedigend en aansporend tot daden van echt geloof. Dat moet een geweldig Paasgevoel geven.
AMEN.
Preek van zondag 8 april 2012 door deken J Spee
PASEN 2012.
De grote componist Georg Friedrich Händel moet naar alle waarschijnlijkheid in een uitgelaten stemming zijn geweest toen hij zijn "Alleluia" componeerde. Althans dat mag je concluderen wanneer je dit prachtige stuk muziek beluistert. Het haalt enorm uit en herhaalt vele malen het woord; "Alleluia", dat: "Looft de Heer" betekent. Koren die het aandurven om dit geweldige muziekstuk op hun repertoire te zetten weten hoeveel tijd en inzet het kost aan repetities, in de letterlijke betekenis van het woord: "herhalingen" om tot het resultaat te komen van wat de componist met dit werk bedoelt te zeggen en over te brengen. "Alleluia" hoort bij Pasen!
Na de Veertigdaagse soberheid in de liturgie, enkel onderbroken door het Gloria op de avond van Witte Donderdag, klinkt het alleluia wederom op de avond voor Pasen in de Paaswake, om daarna zijn vaste plaatsen in de liturgie weer in te nemen. Christus resurrexit vere, Alleluia! "De Heer is waarlijk verrezen, alleluia"! "Looft de Heer"! En daar is alle reden toe want de grootste vijand van de mens: de dood, is overwonnen.
De duisternis van Goede vrijdag is verbannen en het licht van de Paasmorgen straalt ons tegemoet. Op een dergelijke wijze moet Händel dat waarschijnlijk gevoeld hebben en vanuit dat gevoel schreef zijn pen de notenbalken vol blijde tonen. Heerlijk is het wanneer zo'n vreugdegevoel je bekruipt. Dan moet je het wel mededelen, dan moet je anderen laten delen in jouw vreugde.
Maar wanneer we de liturgie en de composities van onze kunstenaars laten voor wat ze zijn, wat blijft er dan over? Of om het anders te zeggen: Wanneer je Pasen beleeft in een kerk, en wanneer je daar, thuis of elders luistert naar het Alleluia van Händel, ben je dan ook zelf een blijde Paasmens? Of speelt alles wat we met ons meedragen in ons hart en in onze gedachten ons parten? "Alleluia" Maar wat staat de wereld te wachten? "Looft de Heer" Maar de dood is niet overwonnen, want ik zie iemand die woont bij mij in de straat huilen omdat een lieve mens is heengegaan. Ik hoor de mensen de adem inhouden vanwege een oorlog die misschien straks zal losbarsten, waar dan ook. Om een crisis die mensen arm maakt, sommigen te arm om nog volledig voor zichzelf te kunnen zorgen. We vinden een stuk troost in de belevenis van het eerste Paasfeest. Onopvallend, nog in het donker, begeeft een vrouwenfiguur zich op weg naar een graf.
De weggerolde steen voor de ingang doet haar huiveren en hopen tegelijk. Ze gaat de mannen halen. Want ze is een vrouw van het Oosten. In moeilijke situaties worden de mannen erbij gehaald. En de mannen komen: Twee mannen.
Het begin van Pasen is geboren in huivering, verwondering en in aarzelend geloof. Maar daar zal het niet bij blijven. Het zal uitgroeien tot een machtig wereldwijd getuigenis vol hoop. Een getuigenis tegen alle geweld en dood in, ook al is de schijn dikwijls tegen! Een getuigenis van hoop tegen alle wanhoop in; een getuigenis van vrede tegen alle oorlogsdreiging en alle geweld in, een loflied op het leven tegen alle doodsverwachting in: "Alleluia" "Looft de Heer" want Hij is waarlijk verrezen: Die gekruisigd is, gestorven en begraven, maar Die thans op de Derde dag, deze dag, is verrezen! Geen sprookje; geen strohalm; geen loze verwachting, maar een door God geschonken werkelijkheid.
Pasen is een kracht die ons wil sterken in onze soms zo zwaarwegende moedeloosheid; een kracht die ons wil troosten in ons soms zo onoverkomelijk lijkend verdriet, in onze verstikkende angst. Daarvan getuigt de liturgie en wij mogen het op onze eigen manier gestalte geven, zoals ooit Händel dat deed met de gaven die hij bezat als componist. Je mag gerust eenvoudig beginnen zoals Maria Magdalena of zoals Petrus of Johannes. Als je het maar vasthoudt en toelaat tot je hart. God is ons fundament. Laten we Hem loven in alles wat wij zeggen en doen! "Alleluia" Zalig Pasen!
AMEN.
Preek van zondag 25 maart 2012 door deken J Spee
5e zondag van de Veertigdagentijd. (B). 2012.
De evangelielezing die we zojuist hoorden heeft zijn eigen plaats in het lezingenboek voor de uitvaarten. Mensen die een dierbare moeten afstaan wordt voorgehouden dat de mens ook onderdeel is van de natuur. Dat de dood en het leven bij elkaar horen wordt ons verteld en ook dat de dood in de natuur niet altijd ondergang betekent. Vandaar de gedachte van de graankorrel waarover Jezus spreekt: "Als de graankorrel niet in de aarde valt, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort".
Het is een mooie gedachte. Of die gedachte ook ten volle troostrijk is voor de nabestaanden durf ik te betwijfelen. Je kunt geen enkel voorbeeld aanhalen, waar dan ook vandaan, die de dood rechtvaardigt en waardoor mensen van harte berusten in het heengaan van hun dierbaren. Om die reden heeft Jezus het ook niet gezegd, zo blijkt uit de context. Er komen mensen, het zijn Grieken vertelt Johannes, die Jezus willen spreken. Een paar toekomstige leerlingen misschien. Mensen wellicht die zich bij de kerk willen aansluiten. Doe er je best voor om ze binnen te halen zou je denken. Maar Hij gaat er niet of beter gezegd: NIET MEER, op in.
Jezus is in een andere fase van Zijn leven aangekomen. In die zin past heel de lezing juist heel goed in het lezingenboek van de uitvaart en slaat hetgeen hier geschreven staat nog veel meer op de tijd ervoor. De tijd voordat iemand sterft. Behalve wanneer dat plotseling gebeurt voelen mensen dikwijls aan dat er iets op komst is waarvan ze heel hun leven wel geweten hebben dat zoiets bestaat maar waar ze nog nooit echt weet van hebben gehad. Je ziet het moment onder ogen dat je afscheid gaat nemen van alles en van iedereen. Van alles wat je tot dan toe vertrouwd was neem je afstand. Dingen die altijd zo enorm belangrijk voor je waren zijn verbleekt. Een andere werkelijkheid in een nieuw perspectief dient zich aan.
"Nu is mijn ziel ontroerd" hoorden we Jezus zeggen en ook: "Wat moet Ik zeggen: Vader red Mij uit dit uur?" Jezus bevindt zich op dat kruispunt van de levensweg waar wij eens allen zullen aankomen. Dat brengt meestal ontroering met zich mee. De woorden dan gesproken krijgen een andere dimensie. Meestal gaan ze de toehoorder, die nog niet op dat punt aangekomen is, voorbij. "Ik zal het niet zolang meer maken" zegt iemand dan. En de omgeving weet er eigenlijk niet zo goed raad mee. Het is niet de taal waarin wij ons doorgaans plegen uit te drukken. Johannes getuigt ervan dat Jezus wordt gesterkt door een stem uit de hemel. Misschien heeft Jezus dat Zelf aangeduid, wie zal het zeggen? Het gaat aan de toehoorders voorbij. De één zegt dat het gedonderd heeft en een ander gooit het op mysterie: "Een engel heeft tot Hem gesproken". En Jezus' plaats in dat geheel is een heel eenzame. Hij ziet voor zich wat er gaat gebeuren en Hij beschrijft het met de woorden: "wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken".
De evangelist verklaart voor zijn lezers wat dit betekent en schrijft aangaande Jezus: "Hiermee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven". Zware kost allemaal op deze zondag. Het is dan ook de vijfde van de Veertigdagentijd. Komende zondag zullen we in het centrum van de angst, de verwarring, de haat en het lijden worden gebracht: Palmzondag!: De dag van "Hosanna" en van: "Kruisig Hem".
Loskomen van de aarde, van het leven hier dat je zo vertrouwd en bekend is, dat is moeilijk. Een stap doen in het ongewisse met als bagage: je geloof dat soms zo wankel lijkt en waarin je dikwijls zo zwak bent. Dat is ons aller lot. Daar staat Jezus wellicht sterker in, maar Zijn weg is daarentegen loodzwaar, veel zwaarder dan ooit een mens heeft en zal moeten dragen. En daardoor zullen wij verlost worden. Daardoor zullen wij op het moment van afscheid nemen gedragen worden, omdat Hij het heeft volbracht. Of om het met de woorden van het evangelie te zeggen: Dat is de graankorrel die in de aarde valt en door zijn sterven veel vrucht voortbrengt. We kennen allemaal dat mooie lied; "O Hoofd vol bloed en wonden".
Het in ontstaan in het begin van de 17e eeuw, waarin de woorden staan die al onze angst van hier en nu en al onze hoop en ons geloof samenvatten: In één van de coupletten staat geschreven: "Wanneer ik eens moet heengaan, ga Gij niet van mij heen, laat mij dan niet alleen gaan, niet in de dood alleen. Wees in mijn laatste lijden, mijn doodsangst, mij nabij. O God, sta mij terzijde, Die lijdt en sterft voor mij". (naar Paul Gerhardt (1607-1676).
AMEN.
Preek van zondag 18 maart 2012 door deken J Spee
4e zondag van de Veertigdagentijd. (B). 2012.
Zondag: Laetare: zondag: Halfvasten. Dat betekent zoveel als dat we over de helft heen zijn van de Veertigdagentijd. Over drie weken is het Pasen! Misschien goed om daarom wat rust in acht te nemen om achterom te kijken en om vooruit te zien en om ons af te vragen waar we nu precies staan. Misschien heeft de liturgie dat ook wel zo bedacht, want de lezingen van vandaag brengen wat indrukken en gedachten binnen. Wat gebeurt er met je religie, je kerk, je geloof, wanneer iedereen er met de pet naar gooit? Daarover gaat het in de eerste lezing van deze zondag. Hetgeen is gebeurd is opgetekend in de Boeken der Kronieken. Tot aan de hoogste religieuze gezagsdragers toe is er de klad in de beleving en in de uitoefening van het geloof gekomen.
Zoiets kan nooit zonder gevolgen blijven natuurlijk. Dat blijkt ook zo te zijn. Een vijandige koning die niets met deze religie heeft steekt de tempel in brand, breekt de beschermende muur van Jeruzalem af en laat alle paleizen met hun kostbaarheden afbranden. Einde verhaal! Hierna volgen wegvoering en ballingschap. Babel! Jaren geleden was het een hit, het lied: By the rivers of Babylon! Dat lied ging over deze periode. Maar het was geen blijde periode voor het volk in ballingschap, hun verblijf aldaar was geen hit!
De lezing van vandaag lees je in één à twee minuten uit. Hetgeen de lezing beschrijft heeft vele jaren geduurd. Mensen werden in die ballingschap geboren en stierven ook weer tijdens diezelfde ballingschap. Men zegt wel eens om moeilijke situaties te verzachten dat God ervoor zorgt dat wanneer er een deur dichtgaat er een andere wordt geopend. Soms blijkt dat zo te zijn, soms is het maar een schrale troost of helemaal geen troost. In het geval van het volk in ballingschap geeft die nieuw geopende deur zicht op terugkeer naar het vaderland. Het is Cyrus, de koning der Perzen die door God als werktuig wordt gebruikt. Perzië, het huidige Iran!
Wij zien die vandaag de dag echt niet als hulp voor het volk van Israël, maar dingen zijn niet altijd het-zelfde. Cyrus bouwt de nieuwe tempel van Jeruzalem en hij ziet dit als een opdracht van de Heer Die hem alle koninkrijken der aarde geschonken heeft, zoals Cyrus dat zelf omschrijft. En dan keren de ballingen weer terug. Een ervaring rijker en een les geleerd, althans voor even. Dat mogen wij vandaag overdenken! En dan is er nog dat diep theologische gesprek tussen Jezus en Nikodemus. Een bronzen slang op een paal, dat was ooit het teken van de redding voor een ontevreden en een van God losgeslagen volk. Gods eigen volk!
En toch ook zo ongelovig, ongeduldig, morrend en zeurend dat God giftige slangen op ze los liet, zo vertelt het verhaal. Maar wie opziet naar de bronzen slang, die wordt gered. Zoals die slang, zo zal ook de Mensenzoon omhoog geheven worden, vertelt Jezus aan Nikodemus.
Wij herkennen in die woorden het beeld van wat Goede Vrijdag staat te gebeuren. Een lijdende mens wordt hoog opgehangen aan een houten paal met een dwarslat. Of Nikodemus dat beeld ook voor ogen had toen Jezus dit vertelde weten we niet. Misschien heeft hij wat ongeloofwaardig gekeken, of niet begrijpend. Wie zal het zeggen? Jezus gaat in ieder geval door met de uitleg waarvan de evangelist Johannes ons zojuist verslag deed. Redding! Dat is eigenlijk het sleutelwoord van deze zondag halverwege de Veertigdagentijd. Redding voor een religie die menselijkerwijs gesproken ten dode gedoemd is. Ook redding voor een volk dat weggevoerd wordt in ballingschap en niets achter zich laat dan brandende puinhopen. Redding voor een wereld die eigenlijk helemaal niet meent om gered te moeten worden omdat de mensen op die wereld denken alles zelf in de hand te hebben en te kunnen. Dat alles en nog meer duiden de lezingen ons vandaag. Geloof! is de basis van dit alles! En wie gelooft wordt gered. Niet alleen hier en nu, maar ook daar en straks!
Of om het met de theologisch onderbouwde woorden van Jezus te zeggen over Zichzelf als Mensenzoon: "Al wie in Hem gelooft zal niet verloren gaan, maar eeuwig leven hebben". Genoeg om over na te denken op deze dag, nu we nog drie weken voor de boeg hebben alvorens we het fundament van ons Christen zijn gaan vieren: Pasen!
AMEN.
Preek van zondag 11 maart 2012 door deken J Spee
3e zondag van de Veertigdagentijd. (B). 2012.
Ik durf niet te zeggen hoeveel mensen in onze tijd de Tien Geboden niet meer kennen. Ik denk dat het er veel meer zijn dan degenen die ze nog wel kennen. Het Boek Exodus leert ze ons en ze waren allereerst bedoeld voor het Joodse volk. Later nam de Christelijke traditie ze over en werden ze ook daar als leer voorgehouden. Ze zijn stuk voor stuk mooi van inhoud, deze Tien Woorden van God. Volgens de overlevering daalde Mozes met deze Tien Goddelijke Woorden de berg af na een ontmoeting met God op de top van die berg. Een soort topconferentie was het geweest: Een diepgaand gesprek tussen God en leidsman Mozes. Alles wat er gezegd werd was ten bate van het volk dat onder aan de berg stond te wachten en inmiddels tot zonde vervallen was, zoals het verhaal ons vertelt. Wat is er van overgebleven? Zowel bij de Joden als bij anderen? Wat bleef er overeind? "Ik ben de Heer uw God" Voor hoeveel of beter gezegd voor hoe weinig mensen geldt dit nog? Wat betekent sabbat of zondag nog? En hoe heilig wordt Gods Naam ingeschat? En wat te denken van: de eer aan vader en moeder?, het niet doden? het niet stelen? het niet leugenachtig getuigen? De trouw aan je partner?, en het azen op datgene wat aan een ander toebehoort?
Leg daar de krant eens naast of het tv journaal. Hoe reageert de wereld wanneer je zegt dat zoveel dingen niet stroken met de Tien Woorden van God? Volgens het verhaal gooide Mozes de twee stenen platen met daarop de Tien Woorden in gruzelementen toen hij onder aan de berg aangekomen zag hoe zijn volk tot grote zonde vervallen was. Een gouden kalf tot god gemaakt. Waar ter wereld is Gods heiligheid nog te vinden? Je zou mogen zeggen: In ieder geval in de Godshuizen. In de tempels en in de kerken! Daar kun je helaas ook op afknappen, zoals het Jezus vandaag gebeurt. Het is allemaal te verklaren. Wij mensen zijn er enorm goed in om overal een verdedigend verhaal voor te hebben. Kwamen de Joden niet naar de tempel om een offer te brengen?
Offers waren voorgeschreven en men kwam de schuld voldoen. Offerdieren namen de plaats in van mensen zodat die gespaard bleven. Duiven, schapen en runderen. Je hoefde ze zelf niet mee te nemen, ze waren in de tempel van Jeruzalem te koop. "Gij zult niet stelen" "Niet leugenachtig getuigen" Het werd allemaal gedaan om flink te verdienen. Je verkoopt een schaap als offerdier, maar je offert het niet en biedt het even later weer te koop aan. Zo wordt je gauw rijk. Mensen komen uit allerlei landen met hun eigen geld en dat wissel je voor ze om tegen een koers die jou veel voordeel oplevert. In en om heilige plaatsen is er altijd veel geld te verdienen. Sommige bedevaart-gangers ergeren zich daaraan. Het is onontkoombaar. Want ook daar wil je wat eten en drinken, iets mee naar huis nemen. Het hoort er allemaal bij. Kiosken vol souvenirs, afgeladen tot aan de plafonds met de grootst mogelijke kitsch trekken het oog en de portemonnee van de massa.
En thuisgekomen krijgen de kleinkinderen een lollie in de vorm van de heilige die ze daarna ook tot het stokje toe oplikken. Ook dat hoort erbij. Het is niet zozeer tegen deze kleine onnozelheden dat Jezus vandaag zo tekeer gaat. Het gaat Hem erom dat de mensen door de bomen het bos niet meer zien.
Met andere woorden: Waartoe is de tempel gebouwd? Waartoe dienen de Godshuizen in onze wereld? Moeten het geen plaatsen zijn waar mensen rust kunnen vinden en alle lawaai van buiten achter zich kunnen laten? Moeten het geen huizen zijn van oprechtheid en eerlijke omgang met God en met elkaar? Gebouwd op het fundament van de Tien Geboden? Daarbij komt nog dat het Paasfeest op handen was. En tijdens dat feest zal Jezus het grootste offer ooit gebracht in de mensengeschiedenis gaan voltrekken. Daar had niemand weet van. Hij spreekt over de tempel van Zijn lichaam, hetgeen Zijn toehoorders totaal voorbijgaat.
Pas na Zijn dood en verrijzenis begrepen Zijn leerlingen het omdat ze zich Zijn woorden herinnerden.
Wij kennen die woorden ook! Jezus' woorden en de Tien Godswoorden uit Exodus. We kennen ze omdat ze ons verkondigd werden. Dat blijft onze taak hier en nu: De woorden kennen en doorgeven! En dan maar hopen en bidden dat ze aanvaard worden.
AMEN.
Preek van zondag 4 maart 2012 door deken J Spee
2e zondag van de Veertigdagentijd. (B). 2012.
Twee ongelooflijke verhalen worden ons vandaag voorgehouden op deze 2e zondag van de Veertigdagentijd. Het eerste verhaal is ongelooflijk wreed en het tweede verhaal ongelooflijk onwerelds. Beiden gaan over God en mens. Ziet u in uw gedachten Abraham op weg gaan? Een vader, al wat op leeftijd, blij dat hij op z'n oude dag toch nog een zoon gekregen heeft, hetgeen voor een gehuwde man in het Midden Oosten bijna een must is om gerespecteerd door het leven te kunnen gaan. Ziet u hem in gedachten vandaag op weg gaan om zijn jongen en daardoor tevens zijn eigen leven op te gaan offeren omwille van God? Vreemd is het eigenlijk dat door alle tijden en door alle religies heen mensen de meest gruwelijke zaken toeschrijven aan hun godheid. Telkens weer kom je regels tegen, levensregels, opgelegd door de religie die hun oorsprong hebben in de wil van een god waardoor mensen tot het uiterste toe worden beproefd en de vreselijkste straffen moeten ondergaan wanneer ze die regels overtreden.
In naam van de betreffende god worden ledematen afgehakt, ogen uitgestoken, worden mensen gestenigd of op een andere manier op gruwelijke wijze verminkt of vermoord, want onze god wil dat zo. Leve die god dus! We horen Abraham niet zeggen dat God als het ware naar de pomp kan lopen met Zijn opdracht, nee we horen dat Abraham op weg gaat om zijn enig kind Isaak te gaan opofferen. Abraham was gewend aan dit soort religieuze gebruiken. Hij kende ze van de volkeren waar hij tussen leefde. Waarom zou zijn God anders zijn dan die van de anderen?
Uiteindelijk kunnen we een zucht van verlichting slaken. Isaak blijft leven. Van een ram die met z'n horens in het struikgewas vastzat, en daardoor dus al ten dode was opgeschreven, wordt de lijdensweg verkort door hem als offer op te dragen in plaats van Isaak. Happy end! Dat wel, maar toch gruwelijk zo'n op de proefstelling van die oude vader.
Ongelooflijk is ook het verhaal van de Thabor, de berg waarop Jezus van Gedaante verandert. Wederom een Vader en een Zoon. Maar nu een Zoon Die weliswaar niet vandaag, maar wel straks wordt geofferd. En die slachting gaat door. Ook al roept de Zoon op dat moment tot Zijn Vader: "Waarom heb je Mij verlaten"? Het antwoord hierop bestaat niet in de redding van de jongen en er is in wijde omtrek geen ram te bekennen dan alleen het Lam Gods dat de zonden van de wereld draagt, hangend aan een kruis. Dat is straks, wanneer het Goede Vrijdag is geworden.
Nu, vandaag, staat de berg Thabor in vuur en vlam vanwege een geweldige verandering van Jezus' gestalte: een kleed zo glanzend en zo licht als geen bleker ter wereld maken kan. "Dit is Mijn Zoon de Welbeminde, luistert naar Hem". luidt de opdracht van de Vader aan de leerlingen van de Zoon. Wat een contrast met hetgeen straks op die andere hoogte, de heuvel Golgotha, zal plaatsvinden. Ongelooflijke verhalen zijn het die aan ons gelovige mensen worden voorgehouden. Verhalen met een scenario zó anders dan alles wat wij zouden bedenken en opschrijven. "Moest de Messias dit alles niet lijden om in Zijn glorie binnen te gaan?" Dat zal de Verrezen Zoon straks als antwoord geven aan de verbijsterde mannen die wij kennen als de: Emmaüsgangers. Dan is het inmiddels al Pasen geworden. Wederom een ongelooflijk verhaal, geen happy end maar veel meer een gelukzalig begin.
Daar zijn we naar op weg. Veertig dagen lang. Vandaag werden we op die weg geconfronteerd met ongelooflijke gebeurtenissen: Met het doen en laten van God waarvan wij de diepste grond nooit zullen vatten. En van een gehoorzaamheid jegens diezelfde God waar wij, geëmancipeerde mensen van de 21e eeuw, wellicht verbijsterd en niet begrijpend bijstaan. Misschien voelen sommigen van ons zich verwant met deze situaties omdat ook in hun leven verbijsterende dingen gebeurden. Dingen die ze niet begrepen en ook nooit kunnen begrijpen of aanvaarden. Waar ze gezocht en geroepen hebben tot God. En waar ze tot de conclusie kwamen dat er dingen in het leven zijn die op je pad komen die je niet kunt omgaan, maar die je hebt te doorstaan. Door al ons onbegrip en lijden heen schept God telkens weer nieuw leven, een nieuwe toekomst. Telkens weer anders, telkens uniek. Abraham mocht dat zo ervaren evenals Isaak.
Jezus heeft het voorspeld en volbracht. Zijn leerlingen hebben het door vele tegenslagen heen moeten leren. Dat is het geloof dat ons is overgeleverd. Moge dat geloof ons sterken en bemoedigen en mogen we daarin onze God ontdekken als liefdevol en reddend, ook al is de schijn soms tegen.
AMEN.
Preek van zondag 26 februari 2012 door deken J Spee
1e zondag van de Veertigdagentijd. (B). 2012.
De Veertigdagentijd is begonnen. De liturgie noemt dit: "een tijd van meer toeleg op het bidden, van grotere aandacht voor de liefde tot de naaste, een tijd van grotere trouw aan de sacramenten". En vanzelfsprekend is het de tijd die ons zal voeren en begeleiden naar het Paasfeest. Dat Paasfeest zal straks door heel veel mensen worden gevierd en beleefd als een nieuw begin. Voor de religieus ingestelde mens, voor ieder van ons dus, betekent het vanzelfsprekend de Verrijzenis van de Heer. Voor anderen is het een lentefeest bij uitstek, inclusief kuikens, eieren en paashazen. Voor velen een combinatie van dit alles, maar het wordt wel gezamenlijk gevierd en beleefd. Net als Carnaval, dat aan de Veertigdagentijd vooraf ging. Ook dat was een gezamenlijk vieren, drinken, lachen en wat al niet meer.
Dat alles kent de Veertigdagentijd niet. Zeker niet het gezamenlijke. "Meer toeleg op het bidden, grotere aandacht voor de liefde tot de naaste en grotere trouw aan de sacramenten" daar kun je als banketbakker niets van in de etalage zetten om het zomaar uit te drukken. Daar past ook geen feestmuts bij en een glas bier voelt zich daar ook niet zo bij thuis. Het neigt veel meer naar een periode waarin je vooral op jezelf en in jezelf bezig bent. Misschien had de liturgie er nog bij moeten vermelden dat het ook en vooral een tijd is van nadenken over veel dingen.
Helemaal op je eentje, daar begint ook het evangelie van deze zondag mee. We ontmoeten Jezus helemaal in Z'n eentje in een eindeloze, je zou ook mogen zeggen: troosteloze vlakte: de woestijn. Helemaal alleen? Wel dat dus ook weer niet. Want was het de Geest van God Die Hem naar dit oord had gedreven, er is nog een andere geest die opdoemt, één die alle rust en nadenken verstoort. Zijn Naam is: satan, zo omschrijft Marcus hem. De naam satan betekent zoveel als: dwarsdrijver. Dwarsdrijvers kunnen ontzettend storend zijn. Iemand die jou dwarsdrijft die verstoort de gang van zaken zoals jij die graag beleeft en tracht te volbrengen.
Jezus bevindt Zich ergens tussen hemel en aarde zou je mogen concluderen. Marcus schrijft namelijk dat Jezus bij de wilde dieren verbleef en dat engelen Hem hun diensten bewezen. En dan verschijnt de geest die satan wordt genoemd. Van dit alles kunnen wij ons moeilijk een voorstelling maken. Maar dat het niet alledaags is dat is wel duidelijk. Een tijd van meer toeleg op het bidden zal het zeker voor Jezus zijn geweest, hoewel Zijn leven altijd al gericht was op het contact met de Vader maar misschien nu nog wel meer. Is dat wellicht de reden waarom Hij daarin wordt dwarsgedreven en op de proef wordt gesteld? Wilde dieren, engelen, een dwarsdrijvende kracht.
Dat alles geeft een stuk eenzaamheid weer waarin Hij Zichzelf moet zien te vinden en Zijn levens-opdracht Hem duidelijk voor ogen moet komen. Wanneer dat zover is gaat Hij, zo staat er geschreven, "naar Galilea" om daar Gods Blijde Boodschap te verkondigen. Dat is derhalve Zijn levensopdracht. Wat is jouw levensopdracht? En wie of wat drijft jou daarin dwars? Of lig je met jezelf overhoop? Heel veel vragen die een mens zichzelf kan stellen. Eigenlijk is dat beter dan dat een ander dat doet, want dan worden we doorgaans kriegelig. Waar bemoei je je mee? Nee, je kunt het beter aan jezelf vragen, in de spiegel kijken, eerlijk zijn. Daar is tijd voor nodig. Een beetje weg van de drukte wellicht, de drukte die iedere dag opnieuw op je afkomt en die je leven beheerst. Pas wanneer je met jezelf in het reine gekomen bent kun je naar jouw Galilea gaan om daar te doen wat je moet doen.
Veertig dagen zijn er in de liturgie voor onze ziel gereserveerd. Een beetje eenzame tijd, maar nooit alleen. God gaat met ons mee en waarschijnlijk de dwarsdrijver ook. Die moeten we van ons zien af te schudden. Aan het eind van die weg gloort het licht van Pasen.
AMEN.
Preek van zondag 19 februari 2012 door deken J Spee
7e zondag Door het jaar. (B). 2012.
Het zou vandaag de dag misschien het journaal wel halen of anders zou er zeker een artikel aan gewijd worden in één der dagbladen: Ik bedoel de stunt, want zo mag je het toch wel noemen, die vier mannen uithalen, waarschijnlijk vrienden van elkaar, om een vijfde te helpen. En die vijfde is verlamd. Hij wordt gedragen door de vier, waarbij de hoop van alle vijf uitgaat naar de Man Die door de drukte rondom en in het huis waar Hij verblijft voor hen niet bereikbaar blijkt te zijn. Dan maar via het dak! En dat is dan de stunt.
Het gaat hier weliswaar om een Oosters huis, dus er hoefden geen dakpannen of andersoortige dakbedekking verwijderd te worden dan alleen wat daktegels, maar toch! De stunt werkt! Vlak voor de voeten van Jezus, want om Hem gaat het, wordt de brancard neergelaten. Jezus kon er niet meer omheen zou je mogen constateren. Er gebeurt waarop de vijf hadden gehoopt. Misschien niet verwacht maar ergens toch wel gehoopt: de lamme kan lopen.
Het verhaal zou een geweldig succesverhaal geworden zijn zonder een rimpeltje in het water, ware het niet dat daar nu net iets gezegd wordt dat bijna als een schaduw over allen heen valt. "Mijn Zoon, uw zonden zijn u vergeven". Dat zijn de woorden die alles zo anders maken. En had Jezus dat nu maar, als het dan toch moest, even in het oor van die lamme man gefluisterd, dan had niemand er iets van gemerkt. Maar integendeel Hij zegt het luidop. Het is dat woord, dat zichzelf altijd verzekerd mag weten van een vaste plaats in het religieuze gebeuren: "Zonde", "zondigheid"! Het is datzelfde woord waar we zo graag met een boog omheen gaan. Niet omdat we overtuigd zijn van een vlekkeloos bestaan, niet dat we ons niet van tijd tot tijd ergens schuldig over voelen, maar gewoon omdat we er niet goed weg mee weten. Het is een woord dat niet stilzwijgend wordt aanvaard maar altijd reacties oproept. Het vergeven van zonden is daarom net zo moeilijk te aanvaarden of wellicht nog moeilijker dan het begrip "zonde" zelf. God en zonde. Die twee horen bij elkaar. Dat weet ieder mens. Daar zijn we aan gewend geraakt in de loop der tijden. Dat bidden we ook, soms zonder nadenken dikwijls: "vergeef ons onze schuld", maar OF dat gebeurt en wanneer, dat laten we aan God over.
In de eerste lezing van vandaag laat de profeet Jesaja God Zelf aan het woord komen door aan het begin te schrijven: "Zo spreekt de Heer". Daar is het God Die de ongerechtigheden van Zijn volk ziet en ze vergeeft en belooft niet meer aan hun zonden te denken, aldus Jesaja. Dat kunnen we plaatsen. Maar wanneer een mens op die Goddelijke stoel gaat zitten wordt het moeilijker om te aanvaarden. "Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen?" is de reactie van de schriftgeleerden vandaag in de evangelielezing. En hetgeen ze zeggen vindt veel bijval van mensen van alle tijden.
Onze kerk kent het sacrament van de biecht, zo u weet. Het was nooit populair! De boeteviering leek een gepaste vervanger. Maar ook die heeft het veld moeten ruimen. De protestantse kerken hebben het na de afscheiding ver van zich af geduwd. De genezing van de lamme vandaag lijkt meer op een bewijs van de kant van Jezus dat Hij inderdaad zonden kan vergeven. Want wie kan een lamme mens weer laten lopen, dan God alleen? Marcus schrijft zijn evangelie rondom dat thema. Hij wil aanduiden dat Jezus aan God gelijk is, ja dat Hij inderdaad Gods Zoon is. Dat is wellicht nog moeilijker te aanvaarden dan het feit dat Hij zonden vergeeft en geneest.
Hier gaat het om een diepe overtuiging, hier gaat het om waarachtig geloof! Misschien dat de genezing van de lamme je helpt om over die geloofsstreep getrokken te worden, maar dat zal bij de één wel het geval zijn en bij de ander niet. "Iedereen stond er versteld van, en ze verheerlijkten God en zeiden: Zoiets hebben wij nog nooit gezien". Daarmee eindigt het evangelie van vandaag. Het is een uiterlijke reactie op een spectaculair gebeuren. Wat het die mensen verder heeft gedaan weten we niet. Wat het ons doet?
Wellicht stemt het gehele gebeuren ons tot nadenken. Misschien wel meer dan wanneer er alleen een wonderbaarlijke genezing zou hebben plaatsgevonden. Wie zal het zeggen? Een stukje vreugde mag er zeker zijn omwille van die lamme man die weer kon lopen en wiens zonden vergeven werden. Jammer dat we zijn reactie niet kunnen lezen, als die er al geweest is. We moeten het derhalve doen met onze eigen gedachten en interpretatie.
AMEN.
Preek van zondag 12 februari 2012 door deken J Spee
6e zondag Door het jaar. (B). 2012.
Ik moest ooit iemand gaan bedienen in het ziekenhuis. Alvorens ik tot de betreffende persoon werd toegelaten moesten er eerst een aantal dingen gebeuren. Ik kreeg een soort pak aan en een bedekking op het hoofd en voor het gezicht, en de ruimte die ik daarna betrad was voorzien van allerlei plasticgordijnen en ergens daarachter lag dan degene om wie het ging. "Quarantaine" heet dat! Een woord dat met name gebruikt werd voor schepen die de haven niet mochten invaren en dus op zee moesten blijven omdat er iemand aan boord was met een besmettelijke ziekte. Want daar gaat het allemaal om: Om een ziekte die besmettelijk is. Degene die ziek is kan anderen besmetten en andersom kan dat ook.
Tegenwoordig weet men al veel meer van al die processen af dan vroeger, maar men was ook toen al wel op de hoogte van het besmettingsgevaar. Daarover hoorden we zojuist in de eerste lezing van deze zondag. In het betreffende Bijbelboek Leviticus duidt Mozes aan dat de kennis hieromtrent van God komt. Het gaat over lepra, melaatsheid dus, een ziekte die veelvuldig voorkwam en de gevolgen van deze ziekte troffen niet alleen de drager ervan maar ook anderen. Het verwijzen naar God is daarom wel begrijpelijk. Want wie durfde anders die verantwoording op zich te nemen om een medemens als het ware af te snijden van het dagelijkse leven, zijn familie en bekenden?
De methode die Mozes aangeeft was minder humaan dan de quarantaine van onze tijd alhoewel je ook nu van het gewone leven bent afgesneden. Maar gescheurde kleding dragen, je haar los laten hangen, je baard bedekken en alsmaar roepen: "onrein, onrein", alsmede apart te moeten wonen dat zijn toch uitermate verzwarende omstandigheden voor degene die toch al geconfronteerd wordt met de ongeneeslijke ziekte. Wanneer je dan kunt zeggen dat het Gods wil is kun je jezelf onttrekken aan de enorme verantwoordelijkheid die als leider op je schouders rust.
Maar hoe moeilijk is het ook niet wanneer je in het leven geconfronteerd wordt met iets waar niets aan te doen is en waar een mens verschrikkelijk van te lijden heeft? En dat lijden kan niet worden verzacht door menselijke nabijheid want dat is te gevaarlijk.
Hoe heilzaam zal het dan niet geweest zijn toen een melaatse gereinigd werd door Jezus. Dat verhaal hoorden we vandaag van Marcus. Hetgeen beschreven is druist in tegen alle voorschriften van Mozes en daardoor ook indirect tegen die van God op Wie Mozes zich beriep. De melaatse komt tot vlak voor Jezus en valt daar op z'n knieën. Misschien had hij wel eerst: "onrein, onrein" geroepen, en had Jezus Zich daar niets van aangetrokken. Het zou kunnen.
Marcus vertelt het niet. Misschien had de melaatse in wanhoop verzuimd om dat te roepen om zodoende dicht bij Jezus te kunnen komen. Wellicht z'n laatste strohalm alvorens te moeten sterven. Het zou kunnen. Maar Marcus vertelt het niet. Dan wéér een overtreding van Mozes' voorschrift: De melaatse smeekte Jezus om genezen te worden. Jezus steekt Zijn hand uit en raakt de melaatse aan. Treedt Jezus de voorschriften der voorvaderen dan zomaar met voeten? Dat toch niet, want na de genezing van de zieke wijst Hij deze direct op de door Mozes gegeven voorschriften.
Het draait eigenlijk allemaal om hetgeen toen en ook vandaag de dag nog steeds moeilijk blijkt te zijn, namelijk het omgaan met voorschriften en in dit geval met religieuze voorschriften. Moet je die voorschriften letterlijk volgen en tot in de puntjes precies uitvoeren? Of moet er ruimte zijn voor de medemenselijkheid? Daarover verschillen de mensen dikwijls van mening. Er is nog een tussenweg die enerzijds niet alle voorschriften weggooit als niet ter zake doende en er anderzijds ook niet scrupuleus mee omgaat. En het is die weg welke Jezus dikwijls, zo ook vandaag, kiest. Mozes wist niet beter te doen dan de touwtjes flink aanhalen om zodoende de veiligheid van het volk zo veel mogelijk te garanderen.
Maar wanneer je in de mogelijkheid bent, en Jezus was dat, om een mens te helpen, ook al moet je daarvoor de letter van de wet overtreden, dan moet je dat doen. Want voorschriften en wetten zijn er VOOR de mens en de mens is er niet VOOR de wet of het voorschrift. In die geest sprak Jezus dikwijls. Daar zie je alle religies, ook vandaag de dag nog, dikwijls mee worstelen. Maar op voorschriften en wetten alleen komen de mensen niet af. WEL op Iemand Die heilzaam spreekt en heilzame dingen doet. De mensen kwamen van alle kanten naar Jezus toe, schrijft Marcus. Mogen ook wij ons bij hen voegen en hetgeen Hij ons als voorbeeld gaf maken tot onze manier van omgaan met de medemens en met onze Godsdienst en haar ongetwijfeld goed bedoelde voorschriften.
AMEN.
Preek van zondag 5 februari 2012 door deken J Spee
5e zondag Door het jaar. (B). 2012.
We zullen het er denk ik met elkaar over eens zijn, niemand uitgezonderd, dat ons dagelijkse doen en laten drastisch verandert, zo niet totaal ondersteboven wordt gehaald, wanneer een ernstige ziekte onszelf of één van onze dierbaren treft. En dat kan zomaar ineens gebeuren. Je hoorde het altijd wel van anderen, maar wanneer het ineens aan jou gebeurt sta je toch even met de ogen te knipperen. Zeker is dat het geval wanneer je eigenlijk nooit iets ernstigs hebt gemankeerd. Het leven was niet te moeilijk voor je, financieel gezien had en heb je niets te klagen, je staat er dan niet bij stil dat het allemaal anders kan worden. En ineens is het allemaal anders!
Het overkwam de welgestelde Job uit het gelijknamige Bijbelboek. Job was welgesteld, had een fijn familieleven, hij was Godvruchtig, kortom het ging Job meer als voor de wind. Een goudhaantje zou je kunnen zeggen. Wanneer wij Job vandaag ontmoeten is het heel anders met hem gesteld. Ziekte heeft hem getroffen, tegenslag, hij is tot armoede vervallen. Volgens het Bijbelverhaal gaat het hier om een uitdaging van de duivel waar God op in blijkt te gaan. Dat hoort een beetje bij dit literaire genre. Het geeft echter wel te denken.
Wanneer je probeert zo goed mogelijk te leven, wanneer je het dan ook nog allemaal goed voor elkaar hebt, wanneer het lot van de ander je niet onberoerd laat en je de beleving van je Godsdienst serieus neemt, dan heb je jezelf heel wat vragen te stellen wanneer het noodlot jou zo hard treft. Wat deed ik dan verkeerd?
Voor Job was die vraag heel actueel en ook reëel, want in zijn tijd en vanuit de religieuze opvattingen die toen heersten kwam het onheil over je als een straf van de Godheid. En dat ook de duivel dan om de hoek komt kijken is een oermenselijke gedachte.
Maar ook vandaag de dag, levend in onze tijd met onze opvattingen, vragen mensen zich serieus af waaraan ze zoiets verdiend hebben? Ook al is men niet zo of misschien helemaal niet religieus, dan komen die vragen toch naar boven in een mensenhart. De klagende Job van lang geleden zou in onze tijd geen vreemd figuur slaan. Job zegt: "Bedenk dat mijn leven een ademtocht is, dat mijn ogen het geluk niet meer zullen zien".
Deze woorden klinken ons mensen, levend in de 21e eeuw, niet vreemd in de oren wanneer we ons onheil onder woorden moeten brengen. Dokters, ziekenhuizen, medische ingrepen en alles wat er verder nog bijkomt veranderen maar weinig aan je situatie, zo blijkt. Je gaat op zoek naar strohalmen, zoals wellicht ook de mensen dat deden over wie Marcus ons vandaag vertelt. Er loopt ergens een rabbi rond die het presteert om het onmogelijke, mogelijk te maken en het ongeneeslijke te genezen. Daar wil je dan naar toe met je zieke lichaam of daar breng je een lijdende dierbare heen.
Wie zou dat niet doen? Mensen ziek naar lichaam en naar geest komen of worden gebracht. Jezus geneest allen, zo vertelt Marcus. Ook hier en nu zouden mensen daar massaal heentrekken.
Wanneer Jezus Zich dan ook terugtrekt komen de leerlingen Hem achterna. "Iedereen zoekt u" is hetgeen ze zeggen. Begrijpelijk natuurlijk. Zo Iemand, daar is heel de wereld naar op zoek. Toch ligt het heil dieper dan we verwachten. Jezus antwoordt: "Laten we ergens anders heengaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat ik ook daar kan prediken". Het komt ons op het eerste gehoor wellicht wat vreemd over: Is een preek belangrijker dan het genezen van een mens? Misschien is onze vraagstelling niet juist. Wellicht moeten we ons verplaatsen in Jezus' gedachten. Moeten we stellen: Is heel het leven van de mens niet belangrijker dan alleen zijn lichaam? Is de mens die ziek is en niet kan genezen, een verloren mens? Of erger nog: Is hij of zij geen mens meer? is daarmee alle menselijke waardigheid weg? Is alles wat belangrijk is dan voorbij en heeft hij misschien vergeefs geleefd? Jezus' genezing gaat dieper dan het wegnemen van een aardse kwaal. Zijn werken is gericht op het eeuwig heil van de mens. Het is iets waar wij mensen levend in deze tijd misschien wat vreemd tegenover zijn komen te staan. Voor velen is alleen het hier en het nu belangrijk. Het is dan best moeilijk om die zienswijze en die gedachtegang zomaar te veranderen, juist omdat het zo diep geworteld is in de samenleving en in ons economische denken. Daarom zou het goed zijn om hetgeen Jezus zegt wat rustig in ons te laten bezinken. Ook Zijn leerlingen zullen erover nagedacht hebben. Wellicht kan het ons blikveld verruimen en troost bieden wanneer we nergens anders terecht kunnen met ons levensverhaal.
AMEN.
Preek van zondag 22 januari 2012 door deken J Spee
3e zondag Door het jaar. (B). 2012.
Eén van Neerlands grootste schrijvers: Godfried Bomans, vertelde ooit iets over zijn jeugd. Samen met zijn ouders en broers en zussen was hij zondags op weg naar de kerk om daar de Mis bij te wonen zoals dat in die tijd nog door de meeste, zo niet alle katholieken, werd gedaan. En op weg naar de kerk, zo vertelde hij, passeerden ze een groep blijde en zingende mensen. Het waren soldaten van het Leger des Heils. Zij zongen over Jezus en over het geloof met zulk een blijmoedigheid en vreugde dat ik dacht, zo zei Bomans, dat dat toch niet goed en God welgevallig kon zijn, daarvoor klonk het veels te blij en te opgewekt.
Dat hij, toen hij het vertelde, daar allang heel anders over dacht staat buiten kijf. We zijn daar met z'n allen in de loop der jaren in gegroeid, namelijk in de gedachte dat aan geloof en kerk ook vreugde beleefd mag worden. Maar de kerken hebben ook tijden gekend waarin hel en verdoemenis geliefde onderwerpen waren voor de predikers zowel in de katholieke alsook in de protestantse kerken.
De predikheren kon je het niet eens kwalijk nemen, of misschien toch wel een beetje, want ze haalden hun preekstof uit de Bijbel en zochten gaarne naar de passages die beantwoordden aan hun opvatting over de moraal en de geloofshouding die de gelovige toehoorders zich eigen dienden te maken.
Het Boek Jona, waaruit de eerste lezing van vandaag komt, leent zich daar prachtig toe. Een hele stad is zondig. Nineve heet die stad. En dan is het maar een kleine stap om de naam van de stad of het dorp te noemen waar je in de kerk stond te preken. "Nog veertig dagen, en Nineve zal vergaan" zo verkondigde Jona het in Gods Naam. Stof genoeg om te preken over bekering en terugkeer van al die zondige wegen die de mensen bewandelden. Stof genoeg om hun slechte daden te benadrukken en in het licht te stellen van Gods toorn. Priesters galmden het door de kerk vanuit de regels van de katechismus en dominees sloegen met hun vuist op de grote Bijbel die voor hen openlag op de preekstoel.
Zo ging het gedurende het gehele leven van de gelovige mens en na zijn dood werden hem nog teksten nagedragen en gezongen die de gruwel en de zonde tot inhoud hadden. De mensen uit Nineve bekeerden zich op het woord van Jona. Moeten wij dat goede voorbeeld dan niet navolgen? Wanneer we vandaag de dag om ons heenkijken dan hebben we geen donderpreek nodig om te zien en aan te voelen waar het gewoon niet goed gaat in onze samenleving. Voorbeelden behoeft u niet, want u ziet ze op tv, u leest het in de krant en u ervaart het aan den lijve. Donderpreken helpen niet, evenmin de strafmaat die justitie oplegt.
En God blijkt de Eeuwige te zijn Die niet na veertig dagen een eind komt maken aan al dat onheil. Dat ondervond Jona reeds. Hel en verdoemenis hebben aan respect ingeboet en mensen doen Gods Woord en de overgeleverde heilige Traditie af als bedenksels van mensen die niet beter wisten. Wat ons werkelijk helpen en redden kan is een overgrote mate van liefde. Jezus slaat die weg in. "Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap" is Zijn devies. Niet: bekeert u want anders ga je naar de hel, maar bekeert u en GELOOF! Dat doen mensen niet zomaar. Daar moet je ze als het ware voor vangen in een uitstraling van liefde en vreugde.
Die opdracht krijgt de kerk van Jezus: Ze moeten vissers van mensen worden. En dat doe je niet met dreigen of met straffen, maar met een blijmoedig geloof. Dat had Godfried Bomans goed ingeschat toen hij de Heilsoldaten zag en hoorde. Alleen het schrille contrast met het beleven van het geloof zoals zijn kerk dat deed, kon hij niet plaatsen. Soms denk ik wel eens dat wij vandaag de dag ook zo ver nog niet zijn. We hebben grote moeite om vreugde en geluk in verband te brengen met kerk en geloof. Dat heeft natuurlijk z'n redenen, dat weten we allemaal. Maar is dat een goed beeld en is dat een goede inhoud om over te dragen aan hen die na ons komen?
Moeten we niet eens op een andere toer? Of, zoals Jezus het zei: "De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap". Dat ons geloven is gebaseerd op een BLIJDE Boodschap blijken alle mensen van alle generaties steeds opnieuw te moeten leren. Laten we het proberen met al onze krachten en met al onze vermogens. Dan zullen wij in onze tijd ook vissers van mensen kunnen zijn.
AMEN.
Preek van zondag 15 januari 2012 door deken J Spee
2e zondag Door het jaar. (B). 2012.
"De Ware" Zo noemen mensen degene die ze op hun levenspad hebben ontmoet en met wie ze het aandurven om arm in arm dat levenspad te vervolgen. De ware partner dus. Iemand op wie je kunt bouwen, die je kunt vertrouwen en die je gaarne aan je zijde wilt hebben. In die ander zoeken we een stuk houvast. Mensen hebben meer van die zaken nodig in het leven, personen of gegevenheden waaraan ze houvast hebben.
Religie is voor veel mensen ook zo'n houvast in het leven. Het ware geloof! Tegenwoordig spreken we niet zo gauw meer in dat soort termen omdat we daar misschien niet zo zeker meer van zijn of ook om anderen niet te beledigen die hun waarheid vinden in een andere vorm van geloven en denken en daar net zo tevreden mee blijken te zijn als wij met de onze. Maar voor jou kan je geloof de ware zijn en je een stuk troost en bemoediging schenken in blijde en in minder blijde momenten van je leven.
Iedere religie en iedere richting in een dergelijke religie heeft wel de neiging om zichzelf als de ware aan te prijzen. Op zich is daar niets verkeerds aan, want het is niemand verboden om trots te zijn op hetgeen je alleen en samen met anderen belijdt. Maar onze samenleving is complex. Er zijn mensen die zich heel hun leven aan hun geloofsrichting binden en er pal voor staan. Er zijn er ook die deze weg verlaten en voorgoed achter zich hebben gelaten. En er zijn de zoekende mensen! Sommigen hebben in hun leven geen enkele vorm van religie gekend en zijn er nieuwsgierig naar. Anderen zijn niet tevreden met hetgeen ze vanaf hun jeugd meekregen en zoeken nu naar meer houvast.
Over mensen en hun verhouding tot de religie gaat het vandaag in de lezingen. Misschien kunnen wij ons in één van hen of in meerderen herkennen. Daar is allereerst de kleine Samuël. Als klein joch gebracht in een omgeving die je niet direct zou associëren met het leven van een blijmoedige opgroeiende jongen. Maar zijn moeder had al voor zijn geboorte beloofd dat de het kind dat zij zo begeerde aan de Heer zou worden afgestaan. En zo was het gebeurd. Daarom verblijft de kleine Samuël nu in het heiligdom van de Heer waar de Ark van God stond. En de oude priester Eli is zijn leraar en religieuze opvoeder. "Samuël kende de Heer nog niet; een woord van de Heer was hem nog nooit geopenbaard" zo staat er geschreven in het betreffende Bijbelboek.
In plaats van de naam Samuël kun je daar vandaag de dag de namen van talloze jonge mensen invullen die de Heer ook niet kennen en aan wie ook nooit een woord van de Heer is geopenbaard. Het is het grote probleem waarvoor we met z'n allen staan: Hoe vertel je de jeugd iets over God en over de religie die jou zo vertrouwd is? In het geval van Samuël neemt God Zelf een initiatief daartoe. God moet drie keer roepen en Eli moet eraan te pas komen alvorens Samuël durft te zeggen: "Spreek, Uw dienaar luistert".
Spreekt God ook in deze onze tijd tot mensen en in het bijzonder tot de jeugd? Sommigen zijn daarvan oprecht overtuigd maar beweren dat de mens en met name de jonge mens niet luistert. Wanneer dat zo is, komt dat dan door het niet WILLEN luisteren of door het niet KUNNEN luisteren?
In het evangelie van Johannes gaat het om mensen die sterke banden hebben met hun religie. Het is de Joodse religie waarin de Messiasverwachting een grote rol speelt. Maar wanneer komt die langverwachte Messias? En waar verschijnt Hij? Zullen we Hem herkennen wanneer Hij komt? Dat houdt ze bezig. Tot op de dag van vandaag wacht de Joodse religie nog steeds op haar Messias.
Zo'n tweeduizend jaar geleden zagen sommigen van hen de vervulling van de Goddelijke Belofte in de jonge Rabbi uit Nazareth: Jezus. Jezus' voorloper en heraut: Johannes de Doper gelooft in Hem en verkondigt Hem als "Het lam Gods". Sommigen worden daardoor nieuwsgierig en gaan Jezus achterna. Het zijn mannen uit één familie, twee broers: Andreas en Simon. Simon wordt Petrus genoemd.
Een rots waarop gebouwd kan worden. Je zou mogen zeggen dat Jezus in hem de ware gevonden heeft. De ware partner op wie Hij kan vertrouwen en op wie Hij kan bouwen. Religie heeft verschillende wortels. Een aantal ervan groeien tot in de hemel en anderen hebben hun houvast in de aardse werkelijkheid. We kunnen daarom nooit alles begrijpen van wat we in geloof aanvaarden. Er zijn hemelse momenten en aardse momenten. Soms zijn er meer vragen dan antwoorden.
Wat we nodig hebben is een stuk vertrouwen dat God de Ware is. En dat we op Hem durven vertrouwen zoals ooit Samuël dat deed en Andreas en Simon Petrus en zovele anderen. Dat hun voorbeeld ons blijvend mag bemoedigen in onze zoektocht door het leven.
AMEN.
Preek van zondag 8 januari 2012 door deken J Spee
OPENBARING DES HEREN (Drie Koningen) (B) 2012.
Het is vandaag één en al schittering, rijkdom en pracht. Jesaja, de profeet uit de eerste lezing begon er al mee. Zijn visioen spreekt over koningen en over de schatten der zee. En verder spreekt hij over de rijkdommen der volkeren die aan Jeruzalem worden afgedragen. En datzelfde Jeruzalem zal worden bedekt met een zee van kamelen, zo gaat Jesaja verder. En alle bewoners van Sjeba trekken er naar toe en voeren goud en wierook aan. Het kan dus niet op.
En Matteüs, de evangelist, doet ongeveer hetzelfde. Wijzen uit het Oosten gaan op bezoek in een paleis. Ze zijn daarheen geleid door een stralende ster. Ze zijn op zoek naar iemand die je in een paleis hoopt aan te treffen: namelijk een "pasgeboren koning der Joden". Maar die blijkt daar niet te zijn. Wanneer ze die pasgeboren koning dan uiteindelijk elders vinden komen hun schatten tevoorschijn: goud, wierook en mirre: Alle drie zo kostbaar dat ze alleen door de allerrijksten kunnen worden aangeschaft. Wat een tegenstelling vandaag met alles wat er in de dagen ervoor gebeurde. Toen ging het over mensen voor wie er geen plaats was in de herberg. We hoorden over herders op de velden van Bethlehem. Die herders behoorden tot de minsten der aarde, min of meer uitschot dus. Een stal met een kribbe was toen het decorum van alles, een verblijf voor dieren dat door de herbergier in medelijden ter beschikking was gesteld aan de vrouw en de man die bij hem op de stoep stonden.
Vandaag komen de geweldige rijkdom en de grote armoede bij elkaar. Het doet aan een sprookje denken waarin dit soort dingen ook kunnen gebeuren. Daar is het dan ook een sprookje voor. Maar het leven zoals mensen dat leven is meestal geen sprookje. Soms lijkt dat zo te zijn voor een klein aantal mensen, en dan schrijven de roddelbladen daar grote artikelen over. Maar wanneer je de gehele waarheid kent zijn ook deze sprookjes dikwijls minder sprookjesachtig dan de artikelen ons willen doen geloven. Ook de verhalen van vandaag zijn verre van sprookjesachtig. Jesaja's visioen is nog niet uitgekomen. Het is tot op de dag van vandaag nog niet vervuld. Wij kennen de situatie van Jeruzalem en van andere plaatsen en landen in het Midden Oosten: Libië, Egypte, Syrië. Allesbehalve sprookjesachtig. En het verhaal van Matteüs loopt uit op een afschuwelijk bloedbad in Bethlehem alwaar koning Herodes alle jongens van twee jaar en jonger laat vermoorden in de hoop dat daar die pasgeboren koning der Joden bij zal zijn die hij als een bedreiging ziet voor zijn macht en voor zijn dynastie. Kinderen opgeofferd vanwege de machtswaanzin van de groten der aarde. Het is allemaal niet van gisteren, maar het is helaas ook van vandaag en van morgen.
Hebben de verhalen van deze zondag ons dan in feite niets goeds te melden? Vieren we het Driekoningenfeest eigenlijk alleen maar als een sprookje en sluiten we onze ogen voor de werkelijkheid?
De liturgie geeft zelf het antwoord. Het Hoogfeest van vandaag heeft als eerste benaming: Openbaring des Heren!
Het is vandaag al begonnen bij Jesaja toen hij aan het begin van de lezing aangaande Jeruzalem schreef: "de glorie van de Heer begint over u te schijnen" DAT is Jeruzalems ware rijkdom. Niet de schatten der zee, niet de kamelen van Midjan en Efa en niet het goud en de wierook, maar de glorie van de Heer! DAT is ook de rijkdom van het verhaal van Matteüs: Niet de wijzen, niet het paleis, niet de rijkdom, niet de schatten die bij de kribbe worden neergelegd, maar het aanschouwen van Gods Zoon is ware rijkdom! Het was voor de drie Wijzen DE openbaring van hun leven! Daarna zijn ze teruggegaan naar hun land. Ze gingen nu langs een andere weg, en dat deden ze vanwege Herodes zo staat er geschreven. Je zou mogen constateren dat hun de ogen waren opengegaan.
Wanneer je Gods heil en redding hebt mogen ervaren en aanschouwen dan kijk je anders tegen het leven aan. Dan geloof je niet in sprookjes, maar in Gods waarachtigheid. Het is datgene wat de drie Wijzen uit het Oosten, de drie koningen, zo u wilt, ons willen vertellen en waarin ze ons willen laten delen.
Daar zijn we dankbaar voor en we bidden dat het ons en alle mensen gegeven mag zijn hun voorbeeld na te volgen.
Ik wens u allen een Zalig Hoogfeest van de Openbaring des Heren toe.
AMEN.
Preek van zondag 1 januari 2012 door deken J Spee
Zaterdag 31 december OUDJAAR. 2011. (B). Zondag 1 januari NIEUWJAAR. 2012 (B).
De viering van Oudjaar en die van Nieuwjaar op respectievelijk zaterdag en zondag, dat is wat we thans beleven. Voor de liturgie is de zondagsviering met het eigen thema ook bestemd voor de zaterdagavond, dat doen we het hele jaar door. Dat doen we ook nu, alleen er is wel een verschil in ons beleven en in ons aanvoelen. De Oudejaarsavondviering heeft iets van weemoed in zich. Mensen kijken achterom naar al die vervlogen dagen en uren die tezamen het jaar 2011 hebben gevormd. Daar waren mooie momenten, goede momenten, maar ook waren er de droeve momenten en de dagen van verdriet. Tranen vloeiden er: Soms van vreugde, soms van zielenpijn. Langzaam groeien we op die bewuste avond van de laatste dag van het jaar naar de spanning van de laatste seconden tot de klok twaalf aanwijst.
Dan ontstaat er een uitbarsting van lawaai, van grote vreugde, van goede wensen en van gezang. Het is Nieuwjaar! De melancholie van de avond ervoor wordt verslonden door de hoop en de verwachting. Wat zal ons dat nieuwe jaar 2012 brengen? Er zal niet enkel vreugde zijn en lawaai, niet altijd zullen mensen elkaar het goede toewensen en zal er blij gezang weerklinken. Maar ook zal het niet alleen kommer en kwel zijn. Het nieuwe jaar draagt ons verder in de tijd. Maar nog meer dan door de tijd worden we gedragen door een liefdevolle Macht Die de mens ooit tot leven riep en plaatste in de tijd met het uitzicht op eeuwigheid. God Zelf is het Die met ons gaat door de tijd en dat ook zal doen in het jaar 2012 (dat vannacht om twaalf uur zal beginnen/ begonnen is). De lezingen van dit weekend gaan uit van het Hoogfeest: Heilige Maria, Moeder van God, hetgeen de liturgie ons laat vieren op 1 januari.
Een lezing uit het Oud Testamentische Boek Numeri wordt ons voorgehouden. Het is een lezing die vertelt over: "Zegen". De woorden zijn mooi gekozen en zijn zo passend voor het moment waarop we met elkaar over de drempel gaan van Oud naar Nieuw: "Moge de Heer u zegenen en u behoeden! Moge de Heer de glans van Zijn gelaat over u spreiden, en u genadig zijn! Moge de Heer Zijn gelaat naar u keren, en u vrede schenken".
Daar staat alles in wat we nodig hebben: Behoud en Zegen door God. Want niets of niemand anders kan ons zegenen en behoeden dan alleen God. Het is een stukje tekst om over te mijmeren en het daarna stil te bewaren in je hart. In dat bewaren ging Maria ons voor. Zij bewaarde alles in haar hart, zo staat er in het evangelie van Lucas dat we zojuist hoorden. Om haar heen was er de drukte van bezoek in de stal. Mensen kwamen en gingen, zoals de herders. Mensen komen en gaan, kwamen en gingen in dit weekend van Oud en Nieuw. Ze komen en kwamen bij elkaar om te vieren, te gedenken, te wensen. Hopelijk blijft er van dit alles iets moois achter om te bewaren in het hart. Maria heeft uit dit bewaren veel kracht geput om de dingen die Haar te wachten stonden in het leven aan te kunnen. Zij mocht Moeder worden van de Heer, van Gods Zoon, vandaar de titel: "Moeder van God". Van Bethlehem tot Golgotha ging zij met Hem die weg.
Zij is ons voorbeeld ten leven. Het moeilijke en het mooie, het opbeurende en het verdrietige, de vreugde en de pijn, dat alles heeft zij gedragen en kunnen verdragen vanwege en vanuit een groot en sterk geloof.
Moge dat ook ons deel zijn op de laatste dag van het voorbije jaar en op de eerste dag van het begonnen jaar, en daarna al die dagen en momenten die ieder van ons gegeven zijn in dit leven: Een groot en sterk vertrouwen op God. Dat we ons gezegend mogen weten en gedragen. En dat we de mooie en kostbare momenten bewaren in ons hart en daaruit de kracht putten om het leven aan te kunnen. Moge Moeder Maria, de Moeder van God, daarbij onze inspiratie zijn en ons voorbeeld. En vragen we Haar dat Zij voor ons bidt, nu en in het uur van onze dood, dat unieke moment waarop we de tijd voorgoed achter ons laten om in te gaan in Gods eeuwigheid.
Ik wens u van harte (een Zalig uiteinde en een goed en gezegend begin van het nieuwe jaar.) (Een Zalig en gezegend 2012 toe.)
AMEN.